Zee, bergen en de Italiaanse Noordoostpolder

Voormalige Palazzo delle Poste, ontworpen door Angiolo Mazzoni. Nu bibliotheek

Mooi vlak ligt de polder Agro Pontino ingeklemd tussen ruige bergen en witte stranden. Romeinen, pausen en Hollandse ingenieurs legden een deel van de Pontijnse moerassen droog. Pas in 1935 maakte Mussolini het af.

Gepubliceerd in Wandelmagazine 19-2

Meer foto's

“Duce! Duce! Duce!”, brult de menigte als Mussolini het balkon betreedt van Palazzo Venezia in Rome. De fascistische leider, gekleed in een zwart overhemd, de kin vooruit en de handen op de heupriem, kijkt vanuit de hoogte neer op de juichende massa. Daar moeten we aan denken, zittend op een  muur van de  Acropolis van de Romeinse stad Norba, hoog in de bergen van Monte Lepini. Het voelt als een fantastisch balkon met zicht op het blauw van de Tyrreense zee.  Het kan niet anders of die volksmenner uit Rome moet hier op dit balkon hebben gestaan, denken we.  Zijn felle blik gericht op het zompige land tussen hem en de zee. De ‘keizer van het nieuwe Romeinse rijk’ wilde maar wat graag zijn voorgangers overtreffen. Wat de Romeinen niet was gelukt, zou hij wel doen: de Pontijnse moerassen omtoveren in de vruchtbare velden van de Agro Pontino. Het zou een van de ‘grote werken' worden van het fascistische regime. Het volk op de pleinen en in de polder juichte, maar de mensen in Monte Lepini vonden het maar niks, beneden in de moerassen lagen hun weide- en visgronden.

Mussolinikanaal

Beneden in de polder worden vooral  kiwi’s geteeld, maar wij zijn even niet geïnteresseerd in die Nieuw-Zeelandse vruchten. We speuren naar iets anders, net als de familie Peruzzi op de ochtend van 25 mei 1944. Ze waren op weg naar wat restte van hun huis daarbeneden. Vier maanden lang had hun boerderij in de vuurlinie tussen Geallieerden en Duitsers gelegen en waren ze gedwongen in een grot in de bergen te wonen. Het Duitse leger is verdreven, maar niet nadat ze de gemalen gründlich ontmanteld hebben. Twaalfduizend hectare staan weer onder water, ruim tien jaar nadat ze zijn drooggelegd. Net als de Peruzzi’s speuren wij de vlakte af naar de kaarsrechte lijn van het Mussolinikanaal, het kanaal waar langs hun huis staat. Toen was het kanaal “als een pijl in ons hart, het zilveren lint dat lag te glinsteren in de zon.” Nu, na een lange droge zomer, is daar weinig van over.  We dalen af, want het kanaal willen we volgen naar boerderij nummer 517, de boerderij van de Peruzzi’s.

Wat ons hierheen drijft, is het boek dat de geschiedenis van de boerenfamilie Peruzzi en Italië in de eerste helft van de twintigste eeuw zo prachtig verwoord. In het “Mussolinikanaal”, pakt de schrijver Antonio Pennacchi je bij de lurven en laat je pas 500 pagina’s later los. Meegesleept door zinnen als: “Pardon wat zegt u? Wilt u weten of dat verhaal klopte of niet? Sodemieter op, laat die vuile praatjes toch voor wat ze zijn. Hoe moet ik dat weten? Dat gaat u maar aan de Duce vragen, hoor.” Pennacchi schrijft zoals de boerenfamilies toentertijd verhalen aan elkaar doorvertelden, bij elkaar op bezoek tussen de koeien op stal. De landloze Peruzzi’s uit de Po delta komen als oud-strijders in WO I en als aanhangers van Mussolini van het eerste uur, in aanmerking voor een spiksplinternieuwe boerderij in de drooggelegde Pontijnse moerassen. Samen met 30 duizend anderen. De ONC-boerderij nummer 517 ligt op de linkeroever van het kanaal, dat tegenwoordig wat saai Aqua Alta heet. ONC staat voor Operazionne National di Combattenti, het Bureau voor Oud-strijders, dat onder leiding van mannetjesputter graaf Cencelli, de 20ste -eeuwse blitz-ontginning leidde. In vijf jaar werden maar liefst 50.000 hectare  ontgonnen, 3500 identieke boerderijen gebouwd en witte macadamwegen aangelegd omzoomd door eucalyptusbomen.

Perruzi’s

Vanaf een hoge stenen brug kijken we het Mussolinikanaal in; een meters diepe v-vormige kerf, zonder één druppel water. Op de bodem een kaal grindpaadje aan beide zijden omzoomd met wilde bamboe- en wilgenbossen en vooral veel woekerende braamstruwelen. Een Hollandse watergraaf zou in paniek raken van al de rotzooi die de afvoer van water tegenhoudt. Het schouwpad dat we willen volgen is onbegaanbaar. Het plan van de gemeente om een wandel- en fietspad langs het Mussolinikanaal te leggen lijkt ons verre toekomstmuziek. Maar we willen door. We sluipen over het land van een kiwiboer en vechten ons door de wildgroei naar dat grindsnoer op de bodem van de kerf. Met de nodige krassen en schrammen lukt dat. Ja,  dan loopt het eigenlijk best wel goed zo zonder water. Wel is het pad bestrooid met andere rotzooi die het water dit voorjaar heeft meegevoerd: hier een verloren schoen, daar een boomstam, verderop een plastic ton. En steeds maar die bamboestaken opzij duwen. Of we al in de buurt van de Peruzziboerderij zijn valt moeilijk te peilen. Ons eerste houvast is de spoorbrug. De Marchibrug die op een novembernacht in 1934 helemaal werd weggevaagd door het snel stijgende water uit de heuvels, vol meegesleurde rotsblokken, boomstammen en struikgewas. Het water kon er niet meer onderdoor,  dan maar er overheen. Onvoorstelbaar nu het kanaal helemaal droog staat.

Na 2 km ploeteren geven we het op en kruipen weer naar de bewoonde wereld. We steken een leeg waterflesje door het hek van een boerderij en krijgen een grote fles gekoeld water terug. Lief, maar je moet het wel allemaal meedragen. ‘Waar is de Madonninabrug?”, vragen we. Het is een van de aanwijzingen in het boek over de plek waar de Peruzziboerderij ligt. “Daar “, wijzen ze in de verte. Met het boek in hand lopen we verder. ”Bent u op zoek naar de schrijver”, vraagt een vrouw met een hondje. “Die woont in het eerste huis voorbij de kruising met het Mariabeeldje. Hij wil vast wel zijn handtekening zetten in jullie boek”, knikt ze bemoedigend. Dat het boek zo sterk  het leven van de schrijver overlapte, wisten we niet. We lopen langs de rechte weg met aan weerszijden huizen. Vroeger waren alle boerderijen identiek, strak geordend als bij ons in de Noordoostpolder. “De boerderijen waren allemaal hemelsblauw. Met twee verdiepingen. En een dak met twee dakschilden en houten dakspanten. Rode Marseillaanse dakpannen. … voor de voordeur had je een afdak met dakpannen erop en verder helemaal afgesloten met horren.” Geen origineel exemplaar is er nog te vinden. Of zou het huis van de schrijver misschien nog de sfeer van vroeger oproepen? Pennacchi staat er op het naambordje. Verdomd, hij woont er echt. Maar zijn huis is zo rigoureus verbouwd dat er werkelijk niets meer is overgebleven van de Peruzziboerderij, zelfs geen dakpan. Zo maar aanbellen bij een gevierd schrijver, dat doe je niet, vinden we. We lopen verder en nemen een slok van het koude water. Toch jammer, we hadden zoveel te vragen. Misschien dat Pennacchi het wel leuk had gevonden.

Nagele

Wandelen in de polder met zijn drukke verkeer en dichtgegroeide kanalen is geen pretje, we houden het voor gezien en gaan  naar de nieuwe steden in de Agro Pontino  Pardon wat zegt u? Ja klopt,  Musolini had een pesthekel aan steden. een perverse zooi, een plek van kunstmatig leven, een plaats waar de vrouw slechts één of twee kinderen baart. Toch  zouden er in Agro Pontino vijf nieuwe steden verrijzen. Aanvankelijk tegen zijn zin, maar dat veranderende razendsnel toen de Duce  de hoodstad Latina onder grote internationale belanstelling mocht inwijden.Was die stad nog stijf classicisme, het stadje Sabaudia ademt de sfeer van het Nieuwe Bouwen. Een moderne stad zonder de strengheid van architecten als Le Corbusier. Het lijkt wel een mediterrane versie van het dorp Nagele in de Noordoostpolder. We worden er helemaal vrolijk van. Wel fijn dat in het Municipo nu een democratisch gekozen bestuur zit en in het Casa del Facio een bioscoop. Bijzonder is dat de stad niet de gebruikelijke scheiding kent tussen wonen en werken. Openbare gebouwen en woningen staan door elkaar. Dat maakt de zaak levendig. De woningblokken hebben zuilengalerijen met winkels, restaurants en bars, waar je lekker op een terrasje  een glas Oppidum Secco kunt drinken, de excellente droge muscaatwijn van de streek. Bijna alles staat er nog. Alleen de markthal is afgebroken. “Een schande”, vindt een man met een strenge bril en loopkruk. Hij wil ons wat laten zien. Samen schuifelen we naar het stadhuis. “Kijk daar”, wijst de man trots: Benito Mussolini ‘Capo del governo’ staat er in de toren gebeiteld. We schuifelen nog even wat verder en belanden bij een putdeksel met het logo van fascistisch Italië: de lictorenbundel. Elders in Italië radicaal weggebikt, maar de polder bleef net zo als de familie Perruzi trots op de Duce die hen nieuw land had gegeven. Als we nog meer willen zien moeten we naar de kerk. Hij houdt het voor gezien. Op het mozaïek boven de ingang staat een levensgrote Maria. Op de achtergrond wordt graan geoogst. Een man met een gladde schedel en brede kaken, kijkt wat nors naar de Onze Lieve Vrouwe. Mogelijk is Mussolini ontstemd over het feit dat de katholieke kerk niet wilde dat de toren van zijn stadhuis hoger zou worden dan hun kerktoren.

Gloeiende billen

Niets wijst op een stad die verbonden is met het platteland behalve de Sikhs met hun gekleurde tulbanden. Zij zijn gewaardeerde arbeidskrachten; ze geven geen krimp in de bloedhitte van de kassen vol kiwi’s. Nee, Sabaudia is meer een badplaats. Wedstrijdroeiers trekken hun baantjes door het spiegelgladde water van de lagune, eens de Olympische roeibaan. Grillige parasoldennen contrasteren met de strakke lijnen van de witgele stad.

Vanaf de brug over de lagune heb je een prachtig uitzicht op de gefiguurzaagde bergcontouren van Monte Circeo, het baken tijdens onze wandelingen van de afgelopen dagen. We willen nu eindelijk wel eens naar de top. Wie we het ook vragen, iedereen heeft de berg beklommen. Ook de ijscoman. “Het was niet makkelijk. Ik moest op mijn billen omlaag, zo steil was het.” Zijn achterwerk gloeit er nog van. Helemaal geloven doen we hem niet, daar staan zijn ogen te vrolijk voor. Maar toch, het was voor ons niet makkelijk. Wat een klim en wat een uitzicht! Nog een keer kijken we uit over de Italiaanse Noordoostpolder, ingeklemd tussen ruige bergen en witte stranden.

 

Ontginningsgeschiedenis van de moerassen

De fascistische propaganda dat Mussolini de Pontijnse moerassen heeft drooggelegd, klopt maar ten dele. Ongeveer een derde deel, het noordoostelijke stuk, is al eerder drooggelegd. Het ligt nu onder zeeniveau en wordt bemalen. Aan het begin van de Romeinse tijd waren er nog geen moerassen; het gebied kwam pas onder water te staan toen de Romeinen in korte tijd bijna alle bossen in de omliggende heuvels kapten. Keizer Nero liet de eerste kanalen graven om één  van de belangrijkste Romeinse wegen, de Via Appia, begaanbaar te houden. Eeuwen later probeerde verschillende pausen, onder meer met de inzet van de Nederlandse ingenieur Cornelis Janszoon Meyer, het vervallen Romeinse kanalenstelsel te herstellen en uit te breiden. Het verzet van herders en vissers uit de Monte Lepini, die de moerassen gebruikten, en het ontbreken van organisatie voor het beheer van de waterlopen en dijken zorgden er voor dat veel plannen niet tot uitvoering kwamen of dat de uitgevoerde werken snel in verval raakten. Niet alleen gebrek aan onderhoud speelde een rol, ook was er de vernielzucht van de bergbewoners. Pas eind 18de eeuw onder paus Pius VI lukt het wel. Er kwamen nieuwe kanalen en in 1862 werd een waterschap ingesteld. Vanaf 1907 pompte het stoomgemaal Forcellata het water weg.