Het groen, niet het beton: wandelen door de Bijlmer van Siegfried Nassuth

De Bijlmer, ooit geprezen als de Stad van de Toekomst, kende veel problemen. Na een kwart eeuw begon de sloop, maar Amsterdam Zuidoost is geen doorsneewijk geworden. Tussen de laagbouw waart nog steeds de geest rond van Siegfried Nassuth, de ontwerper van de betonnen stad in het groen.

Tekst: Bert Stok                              gepubliceerd in Wandelmagazine 2017-2

Foto's

Er was een tijd dat het ontwerp van Nassuth tot in het Hoge Noorden werd bewonderd. Kai Nousiainen hing de plattegrond van de Bijlmer aan de muur van zijn architectenbureau in Oulo, de Finse stad waar ik als stagiair werkte. Het patroon van de honingraatflats, de zeshoekige flatgebouwen van elf verdiepingen, zag er van boven best aardig uit. Maar wat de architect vooral enthousiast maakte, was dat al die flats midden in het groen stonden. Bouwen in de natuur, daar lusten ze in Finland wel pap van. “Schiet de bouw een beetje op”, vroeg Nousiainen, terwijl hij met zijn aanwijsstok liefdevol over de plattegrond gleed. Ik wist het niet. Het was 1972, de Bijlmer kende ik vooral door Blue movie, een populaire bioscoopfilm met voor die tijd heel veel seks. Je keek met de cameraman mee door de ramen van een galerijflat, terwijl binnen in de hoogbouw wilde seks werd bedreven.

Begin jaren negentig ging ik in de Bijlmer, inmiddels berucht en gevreesd, Nederlandse les geven aan volwassenen. Ik trof op school louter brave mensen. Mijn Ghanese studentes zagen er op zondag prachtig uit. In felgekleurde gewaden liepen ze trots door het groen naar de kerk. Elders in de Bijlmer zag je de ellende van heroïne- en cocaïnegebruik, maar een stuk minder dan voorheen verzekerden mijn collega’s. De Bijlmer, omgedoopt tot het neutrale Zuidoost, beleefde volgens hen zijn tweede jeugd. De leegstand werd minder. Toch beukte de sloopkogel de eerste gaten in het ‘woonparadijs’. De hoogbouw moest wijken, bewoners verzopen in de grootschaligheid was het oordeel.

Nu, een halve eeuw na het slaan van de eerste paal, is Zuidoost een mix van laag- en hoogbouw. Een stadsdeel waar het goed wonen is, zoals in zoveel andere nieuwbouwwijken. Maar toch, wie naar Zuidoost gaat, stapt een andere wereld binnen, een wereld waar je  etensgeuren opsnuift uit alle windstreken . Een stadsdeel dat vooral anders is door wat rest van Nassuths erfenis, een nalatenschap waar de Bijlmer Believers over waken. 

Erfgoed 
Het is lekker weer, de mensen komen naar buiten. Naar de Bijlmer ga je als het zonnetje schijnt. Op de markt bij Ganzenhof staan de dozen met Ghanese yam hoog opgestapeld. Met mijn wandelmaatje Hans zijn we op zoek naar de flat Kleiberg. Woningbouwvereniging Rochdale wilde deze honingraatflat slopen, maar zette het gebouw uiteindelijk voor één euro te koop. Een groep enthousiastelingen richtte een consortium op om het erfgoed te behouden.

“Kleiberg ligt daar bij Ma Aisa, je kunt het niet missen”, wijst een vriendelijke man. En ja, achter het rondborstige beeld van Moeder Aarde zigzagt een flatgebouw door het groen. Een paar mensen zitten buiten in het gras bij openstaande ramen. Een man duwt een glimmende motor de voordeur uit. Hij neemt nog even zijn zwarte helm van het hoofd voor een praatje. De motorrijder, een jaar of dertig, is blij met zijn appartement. Het casco werd gerenoveerd en de afzonderlijke appartementen verkocht vanaf 66.000 euro. “Ik heb het zelf ingericht helemaal zoals ik het wil. Buiten lijken alle huizen hetzelfde, maar binnen is het overal anders.” Of er nog klushuizen te koop zijn”, vragen we. “Nee, allemaal verkocht.” Hij koos voor een benedenhuis vanwege zijn motor.

‘De Stad van de Toekomst’ verrees in een droogmakerij uit 1623 en zou plaats gaan bieden aan 100.000 inwoners. Licht, lucht en ruimte was het parool. Ruime woningen moesten er gebouwd worden met uitzicht over het groen. Een woonparadijs waar je geen last mocht hebben van auto’s, die bleven hoog op de dreven ver van de wandelaars en fietsers die in de jaren van ongebreidelde groei van het autopark vaak het haasje waren . Aan de automobilist werd ook gedacht: kruisingen mochten niet worden aangelegd. Alleen T-splitsingen, die waren veiliger. Bij het slaan van de eerste paal hield burgemeester van Hall een bevlogen toespraak. Hij vergeleek de Bijlmer met de grachtengordel: “Wat onze voorouders in de zeventiende en achttiende eeuw deden was groots, wat wij bouwen zal het nageslacht eveneens als groots kunnen ervaren en beleven.” Eberhart van der Laan, de huidige burgemeester, leest het citaat voor met een glimlach. Hij had het wel mooi gevonden als de droom van zijn voorganger was uitgekomen: minder toeristen in de overvolle binnenstad.

Met deze vrolijke noot sluit van der Laan zijn praatje af. Dat was een paar weken terug bij de presentatie van De betonnen droom, een boek van Daan Dekker. De auteur schreef een meeslepend verhaal over de geschiedenis van de wijk. Dekker besteedt uitgebreid aandacht aan de problemen van de Bijlmer, maar vatte ook sympathie op voor de wijk en haar ontwerper Siegfried Nassuth. Harmen, de zoon van Siegfried, ook aanwezig op de boekpresentatie, herinnert zich nog hoe hij als jongetje met zijn vader meeging naar een enorme zandvlakte. Een idee over wat daar gebeurde, had hij niet. Pas toen zijn vader in 1998 de oeuvreprijs kreeg van het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst besefte hij dat op die zandvlakte iets bijzonders was verricht.

Het groen 
In de ban van Dekkers boek zoeken we verder naar de sporen van de bouwmeester. Bij Taibah, de witte moskee van de Bijlmer, nemen we de roltrap omhoog naar station Kraaiennest. Boven kijk je uit over een betonnen viaduct waar de metro hoog boven het groen zoeft. Aan beide zijden van de zweefbaan staan op ruime afstand oude Bijlmerflats nog fier overeind. Auto’s rijden er niet, het is groen rondom de hoogbouw. Het oogt allesbehalve vertrouwd. Is dit Nederland? We hebben het opwindende gevoel ergens ver weg in een ander land te zijn. Een gevoel dat wordt versterkt door het beeld van Moeder Aarde en de witte moskee. Dit is een plek waar we dicht op de huid van Nassuth zitten. De honingraatbewoners kunnen vanuit de lift zo het groen in stappen zoals de eigenzinnige stedenbouwkundige had gewild. Tussen de bomen en de struiken zouden ze de vrijheid kunnen ervaren die hij als jongetje zelf had beleefd in Nederlands-Indië. Daar in Buitenzorg trok hij in de weekeinden met zijn padvindervriendjes door het oerwoud over de hellingen van de vulkaan Gunung Salak.

De bomen en struiken deden het goed op het opgespoten land van de Bijlmermeer, maar uit veiligheidsoverwegingen werd flink gekapt in de ‘jungle’. Je wandelt er nu langs waterpartijen over uitgestrekte grasvelden met keurige boompartijen, meer een park dan een jungle. Met het groen, de essentie van het stedenbouwkundige ontwerp, mochten Nassuth en zijn team zich niet bemoeien. De afdeling Groenvoorziening eiste de verantwoordelijkheid op voor de inrichting van de hoven. Dat was niet de enige teleurstelling die Nassuth moest verwerken. Ook werd er fors bezuinigd op zijn oorspronkelijke ontwerp: minder liften, langere galerijen en meer verdiepingen.

Zuidoost heeft één hof waar alle zes de segmenten van een honingraat zijn behouden. Helemaal origineel is het niet, er staan auto’s en de onderste verdieping met bergingen is deels omgetoverd tot een monumentale plint. Bij de moestuintjes zit een bejaarde man in het zonnetje. Hij kwam hier in 1972 vanuit Suriname wonen. “Mooi ruim waren de woningen. Een metro was er niet. Je moest met de bus naar Amsterdam.” Zijn flat heette toen Gliphoeve I en “die daar Gliphoeve II”, wijst hij. Ze werden in de jaren tachtig geassocieerd met drugs en leegstand. De honingraat werd gerenoveerd. Gliphoeve I werd Geldershoofd en Gliphoeve II omgedoopt tot Gravestein. Hij woont er met plezier en nee, hij heeft geen moestuintje. “Ik krijg groente als de buren wat over hebben.” “Ik zie jullie wel ”, groet de verstokte Bijlmer Believer als we verder lopen.  

Langs oogverblindende laagbouw, de gevels bedekt met aluminium, lopen we naar het beeld van Anton de Kom. De Surinaamse vrijheidsstrijder staat in het hart van Zuidoost bij het stadskantoor bovenaan een fraaie trappartij. Van de flatgebouwen die hier in het centrum stonden, mochten een paar kleine stukjes blijven staan. Ze steken als dominosteentjes boven de laagbouw uit. De robuuste balkonbalustrades zijn vervangen door matglas. Dat past goed bij de filosofie van licht, lucht, en ruimte, vinden wij. Misschien dat Nassuth het ook wel oké had gevonden. Bij de felgekleurde winkelpanden aan de voet van het Johan Cruijff Arena stappen we op de fiets en rijden terug naar Amsterdam, sorry het centrum van Amsterdam, een kleine tien kilometer. Langs de Weespertrekvaart staan de bezemwagentjes van de gemeente in een parkeergarage die lijkt op de garages waar de Bijlmer ooit vol mee stond. Zou deze parkeergarage daar zijn gesloopt en hier weer opgebouwd? “Ik zou het niet weten, dat ding staat er al zo lang”, zegt de portier, terwijl hij op de knop van de slagboom drukt. Eerder aten we Thaise kippensoep bij Develstein in World of Food, een van de weinige garages die bleef staan, een gezellige ontmoetingsplek met exotische hapjes en gerechten.

We fietsen verder en praten over De Stad van de Toekomst. We missen stedenbouwkundigen met een gedurfde visie zoals Nassuth. Maar mocht een utopist ooit weer een kans krijgen, laat hem of haar dan geen stad voor 100.000 inwoners ontwerpen.  Hou het een beetje behapbaar.