Marchandel en de Poolse nachtegaal

Gdansk met zijn trapgevels en het omliggende polderland doen denken aan Holland. Mennonieten, 16de eeuwse godsdienstvluchtelingen uit de Lage Landen, verfraaiden de havenstad en legden het zompige land van de Weichseldelta droog.

Verschenen in Wandelmagazine Op Lemen Voeten 2017-4

Meer foto's

De koster van de Pinkstergemeente pakt de ring in de houten vloer vast en trekt het luik omhoog. We kijken in een gat waar een trapje verdwijnt in donker water. “Hier gaan volwassenen kopje onder, als ze klaar zijn voor de doop.” De gemeente gelooft dat je pas voor de doop kunt kiezen als de jaren des onderscheids zijn bereikt. Die opvatting delen ze met de mennonieten die dit sobere godshuis bouwden. De kerk staat onder lindenbomen, ingeklemd tussen spoor, kanaal en drukke verkeersaders. Ooit lag het buiten de stadsmuren van Gdansk, de plek waar vluchtelingen hun gang mochten gaan. Inmiddels zijn de mennonieten al weer verdwenen uit Polen, gevlucht of weggetrokken naar elders, maar de sporen van hun driehonderd jaar lange aanwezigheid kom je nog overal tegen.

“Proszę”, een vriendelijk suppoost van het Stadhuis schiet toe met helblauwe matjes. We liggen met onze rug op de tegels van de Rode Zaal om het beschilderde plafond te bestuderen, maar wippen graag weer even op om onze lijven te verwennen. Het werk van Izaak van der Blocke is zo rijk aan details dat je hier niet zo maar weg bent. Hij laat de stad ook op het plafond schitteren; haar kerken en waterpoorten staan in volle glorie boven op een triomfboog. De schildering toont de aanvoer van hout, granen en salpeter uit het Poolse achterland, belangrijk voor de Oostzeehandel. Daarvan profiteerde ook de belangrijkste handelspartner, Amsterdam. Het rood/wit/blauw van de Republiek wappert fier op een schip boven ons op het plafond.

Volgelingen van Menno Simons

Van der Blocke was mennoniet, net als veel van de schilders en bouwmeesters uit de Lage Landen die glans gaven aan de Gouden Eeuw van de havenstad. Wederdopers noemden de mennonieten zich oorspronkelijk. Ze vormden een rebelse beweging met enkele opmerkelijke uitgangspunten. In Nederland noemen we ze nu Doopsgezinden. Ze deelden hun bezittingen onder elkaar, weigerden een eed te zweren en wezen de kinderdoop af. Dat de Wederdopers uiteindelijk onder leiding van de Friese voorganger Menno Simons geweld afzworen, maakte geen einde aan hun vervolging door het Spaanse gezag. Halverwege de zestiende eeuw vluchtten veel mennonieten op Amsterdamse schepen naar Gdansk. De Poolse koning verleende hen vrijheid van godsdienst. In ruil daarvoor moesten ze de Weichseldelta omtoveren in cultuurland. De mennonieten trokken ‘het vette land’ in, groeven sloten en bouwden dijken. Al snel haalden ze recordoogsten binnen, alles tot grote tevredenheid van de koning. Tot ver in de 18de eeuw bleven ze preken en zingen uit Nederlandse bijbels en zangboeken.

Vanuit een kano ademen we de Hollandse sfeer van Gdansk in, maar we willen meer. We willen het ommeland in. Door een ‘kattenluikje’ naast grote sluisdeuren, glippen we de stad uit. Vaart maken met de kano, een beetje bijsturen, snel de peddels langszij en het donker in. Best wel eng. Maar al gauw is er weer licht en zijn we veilig op het brede water van een vestinggracht. Samen met de bastions beschermde die de stad aan de kant van het laagland. Je waant je in een Hollandse watervesting als Naarden of Heusden. We zouden wat graag verder willen over het water de Weichseldelta in. Maar we zijn hier als redacteuren van Wandelmagazine niet om te peddelen. Hup die kano uit en te voet de polder in.

Holendérka

We lopen over een vertrouwde dijk door Pools polderland. Een ophaalbrug ligt half verscholen tussen de wilgen. Niet zo’n houten brug als op het schilderij van Vincent van Gogh, maar één van staal. Een plons tussen het riet. Was het een brasem, een snoek of gewoon een kikker? Het Chłodniewo gemaal aan de dijk van de Skarpawa, een zijrivier van de Weichsel, ligt er wat verloren bij. Er kolkt geen water de rivier in en binnen het bakstenen gebouw is het muisstil. De pensioengerechtigde beheerder, naar een opvolger wordt gezocht, heeft de machtige turbines stilgelegd. Het water in de sloten van het polderland achter het gemaal staat zo laag dat malen niet nodig is. Met trillende vinger wijst hij naar een blauwe streep op de muur: 1,63 m 24-04-1945 staat er in blauwe letters naast geschreven. Om de opmars van de Russen te vertragen staken de Duitsers de dijken door. In de “Hollandse” polder stond het water drie jaar lang twee meter boven maaiveld. De mennonieten waren toen al verdwenen: Net als de andere Duitsers gevlucht voor de Russische troepen. Slechts een op de vijf bereikte de veilige kant van de Elbe. Heel wat van hen verdronken of vroren dood. Zij die bleven verdwenen naar werkkampen in de Sovjet Unie. De kant op waar tweehonderd jaar eerder al heel wat Weichselmennonieten vrijwillig heen getrokken waren. Niet gedwongen door de harde hand van Stalin, maar uitgenodigd door tsarina Catherina de Grote die hen leeg land en godsdienstvrijheid bood.  

Hoog op de dijk kijken we uit over uitgestrekte rietkragen en weids land met Friese koeien. 'Holendèrka noemen ze die hier. Wat een mooi land, maar,dat moet er wel even bij gezegd worden, het is stralend weer. In Tjusk kopen we een appel en een banaan bij de kruidenier. De houten huizen geven het dijkdorp een zweem van romantiek. Maar dat verdwijnt weer snel als we ons realiseren dat de dorpelingen ‘nieuw’ zijn. Polen uit het huidige Litouwen en de Oekraïne, dat de Sovjet Unie had ingelijfd, namen het land van de verdrevenen in.

Kussentjes

Een jachthut op hoge stelten staat binnendijks langs het water, het stikt er van de wilgen en populieren. Tussen de takken gluren we naar het water. Onze schoenen, drijfnat van de dauw, dreigen vocht door te laten. Gauw de dijk af om droge sokken te houden. Onderaan de slingerdijk staan boerderijen veilig op kussentjes. Mocht de dijk weer breken dan houden ze daar ook droge voeten.

Koeien op de dijk, het gras kort gemaaid. We aarzelen geen moment en klimmen het talud weer op. Dan even voor Nowy Dwór Gdański, het stadje in het hart van de Poolse polder, kruist een smalspoor de dijk. Over de bielzen tussen de rails lopen we naar het station. Daar zijn enthousiaste vrijwilligers in oranje hesjes met treinen in de weer. “Alleen de machinist krijgt betaald“, zegt een vriendelijke man, die met zijn platte rode pet wel eens de chef onder de vrijwilligers zou kunnen zijn. We krijgen een dienstregeling. In de zomermaanden rijden ze net als vroeger badgasten naar de stranden aan de Oostzee.

Mennonietenborrel

Een half verharde landweg met gras in het midden voert ons naar Marynowy, een gehucht met een fraai gerestaureerde houten arcadeboerderij. De bovenverdieping rust deels op houten kolommen. ‘Johan Jacob Ziemer’ staat er met krullen ingesneden, de naam van de mennoniet die dit huis in 1803 bouwde. Tot voor kort werd het monument alleen met wat roestige spijkers op de been gehouden. “Vier jaar zijn we al bezig met de restauratie”, zegt de zilverblonde Jadwiga trots. “In de vijftien jaar dat het leegstond rotte het hout razendsnel weg.” Binnen lijkt het wel een inpakkunstwerk van de Bulgaar Christo. Vloeren en muren zijn bespannen met lappen plastic. De klus duurt langer dan ze hadden gehoopt. Boven is er gelukkig al een kamer klaar. Anjeska vindt het daar heerlijk stofzuigen, een karweitje waaraan ze normaal gesproken een bloedhekel heeft. Grzegorz wil ons laten proeven van een mennonietenborrel. Alcohol drinken deden ze niet, maar destilleren wel. Het was een van de beroepen waarmee de geloofsvluchtelingen wel hun brood mochten verdienen. Uit een groot uitgevallen parfumfles schenkt onze gastheer de borrelglaasjes vol met Marchandel. Deze jenever komt niet meer uit de fabriek van Heinr Stobbe in Nowy Dwór Gdański maar ergens uit Duitsland. De tweehonderd jaar oude fabriek sloot de deuren na de komst van de Russen.

Na de toverdrank vatten we moed en lopen naar een mennonietenbegraafplaats even buiten Nowy Dwór. “Menonicki ?“, vragen we aan twee oude dames met kleinkind en hond. Dat ene woordje doet wonderen. Ze wijzen naar een plukje groen eenzaam in de polder. Tientallen begraafplaatsen in de Weichseldelta zijn in de afgelopen jaren opgeknapt door Polen en geloofsgenoten van elders zoals doopsgezinden uit Aalsmeer en Haarlem. Brandnetels werden uit de grond getrokken, takken gesnoeid en zerken, soms wel 2,5 meter hoog, rechtgezet. Maar op de begraafplaats van Orlowo is het verval al weer ingetreden. De graven liggen romantisch te verkommeren. Zerken hellen voorover of steken half uit de grond. Alleen het gras krijgt af en toe een beurt. Voor de duisternis valt, proberen we een Hollandse naam op een van de zerken te traceren. Geen eenvoudige klus, de meeste stenen zijn sterk verweerd. Toch menen we op een groen uitgeslagen steen ‘Klaassen’ te kunnen lezen.

Plautdietsch

Voldaan keren we terug naar de bewoonde wereld. Een volle maan staat prachtig helder naast de grote gele M van de wereldberoemde hamburgerketen. De volgende dag, in het museum van Nowy Dwór Gdański, horen we de stem van Anna German, de ‘Poolse nachtegaal’. Al meer dan dertig jaar is de zangeres dood, maar ze wordt volgens de gids nog steeds ‘gedraaid’. Haar moeder, Irma Martens, stamt uit een Nederlandse mennonietenfamilie die ooit aan de lokroep van tsarina Chaterina gehoor gaf. Na de Tweede Wereldoorlog belandde Irma in Warschau. Ze sprak Russisch, maar ook nog steeds Plautdietsch, een soort Nederduits dat vanaf de late Middeleeuwen dé handelstaal van de kuststrook van Calais tot Finland was. Ooit een “wereldtaal” die volkeren verbond. Nu nog steeds de taal van de geïsoleerde mennonietengemeenschappen in de Amerika’s, Kazachstan en Duitsland.