Hugenoten achterna


Vanaf 1528 predikte Calvijn in Geneve voor veranderingen in het katholieke geloof. Zijn opvattingen sloegen in Frankrijk vooral aan in de zogenoemde Croissante protestante. Dit is een brede strook vanaf Geneve via Languedoc, Montauban, Bordeauc naar La Rochelle aan de Atlantische Kust. Aanvankelijk liet de Franse koning dit toe. Dat veranderde rigoureus in 1685, toen de Zonnekoning de relatieve vrijheid van de Franse protestanten oftewel Hugenoten, die met het Edict van Nantes was bezegeld, herriep. Alle tempels werden met de grond gelijkgemaakt en een Hugenoot had drie keuzes: bekeren tot het enige ware geloof, opsluiting of vluchten. Dit leidde tot een bloedige godsdientsoorlog die tot midden 18de eeuw voortduurde. Er kwam een fikse vluchtelingenstroom op gang naar landen waarin het protestantisme vaste voet aan de grond had gekregen. Bijna 200 000 Hugenoten verlieten Frankrijk, vooral naar Zwitserland, Duitsland, Groot-Britannië en Nederland. Een derde van de vluchtelingen kwam in de Republiek terecht. Eén daarvan was mijn voorvader David Farjon die zich in Amsterdam vestigde.

 

Om de geschiedenis van David beter te leren kennen, maakte ik twee meerdagse wandeltochten:

  • De zuidelijke helft van het Stevensonpad, Het gemarkeerde pad is 252 km lang en loopt van Le Puy-en-Velay naar Alès door de middelgebergten van de Haut-Loire en de Cevennes. Het pad volgt de voetreis van de Schotse schrijver Robert Louis Stevenson, bekend van het boek Dokter Jekyll en Mister Hyde.  In het najaar van 1878 wandelde hij met een muilezel door het land van zijn Hugenootse voorvaderen. 
  • Het eerste stuk van Hugenotenpad (Sur les Pas des Hugenots) van Le Poët-Laval in de Drôme via Geneve en Schaffhausen naar het Duitse Bad Karlshafen aan de Weser (1600 km).

Zonder ezel door de croissant protestant

GR 70, het populaire Stevensonpad, brengt weer leven in de brouwerij van de ontvolkte Cevennes. In de dorpen vindt je sporen van Hugenoten die twee eeuwen lang door het katholieke gezag werden vervolgd, maar nu weer vredig samenleven met de andere bewoners.


Meer foto's
Verschenen in Wandelmagazine Op Lemen Voeten 2017-1

Ik ben een nazaat van David Farjon, een katoendrukker uit Zuid-Frankrijk die omstreeks 1700 huis en haard ontvluchtte. De koning dwong hem zijn protestante geloof af te zweren of het land te verlaten. Via Geneve bereikte hij de stad aan de Amstel waar nog steeds het overgrote deel van de Nederlandse Farjonnen woont. David was niet de enige; driehonderdduizend Hugenoten, de Franse naam voor protestanten, kozen eveneens voor hun geloof. Ze kwamen vooral in Zwitserland, Nederland, Duitsland en Engeland terecht. Ook de Schotse schrijver Robert Louis Stevenson, bekend van het boek Dokter Jekyll en Mister Hyde heeft Hugenootse roots.  In het najaar van 1878 wandelde hij door het land van zijn voorvaderen. Hij was er om liefdesverdriet achter zich te laten, ik om de geschiedenis van mijn voorvader David op te snuiven. Hij werd vergezeld door zijn pakezel Modestine, ons reisgezelschap liet de bagage verslepen door een busje.

Tussen de oren
Het gedrongen torentje  van de 12de-eeuwse St. Blasiuskerk reikt maar net boven de grijze huizen van  Chasseradès. Misschien sliep Stevenson in de herberg die nu “Le Relais de Modestine” is gedoopt. Hij schrijft in zijn reisverslag dat zijn avond met vijf landmeters onder het genot van warme wijn genoeglijk was; de nacht met z’n zessen op een kamer met drie bedden was heel wat minder. Hij zou voortaan in de open lucht naast zijn ezel slapen. Al snel zien we het zandstenen spoorviaduct waar Roberts bedgenoten de lijnen voor uit zetten. Hoog boven het gehucht Mirandol kruist het spoor het dal van de Chasseradès. Het beekje steekt schamel af bij de imposante bogen. Twee Franse dames schieten tussen de oren van hun ezels een kiekje van de fotogenieke brug. We zullen deze ezels met knalrode zadeltassen vaker inhalen.

De hele ochtend stijgen we langzaam door de velden rond het gehucht l’Estampe naar de beboste bergrug van Goulet. Het bos bestaat vooral uit donkere sparren. ’s Middags zakken we af door bos totdat weiden onze volgende overnachtingsplek aankondigen: het dorpje Le Bleymard. De bronnen van de rivier de Lot, hier nog maar een Lotje, doorbreekt het bos dat ons het zicht ontneemt.

Granieten palen
Dat patroon herhaalt zich vrijwel elke dag. Alleen de hoogste barrière van de tocht, de Mont Lozere met zijn 1699 meter, is een fraaie uitzondering. Na het skistation lopen we door laag kreupelhout en heide naar de vlakke top. Vandaag is het uitzicht weids. Een rij granieten palen leidde Stevenson en Modestine door de dichte mist. Tot zijn spijt kom hij boven geen zeilen op de Middellandse Zee ontwaren. Ondanks het goede zicht lukt dat ons ook niet. Maar wat zien we tussen de grote granietblokken die hier rondgestrooid: twee bekende ezels eten hun buikjes vol. Wij dalen snel af door het bos.

Tussen de groene kropjes sla en de frisse prei in het granieten gehucht Finiels staan twee oude grafstenen. “Daar liggen mijn voorouders“, grijnst Lucile Pantel, de eigenaresse van een natuurcamping avant-la-lettre. De tenten staan wijd uit elkaar tussen granietrotsen in bloeiend hooiland. Het water ruist door een smalle beekje naar een watermolentje. “Hugenoten mochten vroeger niet op een katholieke begraafplaats begraven worden. Nu is dat anders, ik ga gewoon naar de begraafplaats.” Ten zuiden van de kale berg begint de ‘croissant protestante’: het land van de Hugenoten. De plekken waar Hugenoten in de 17de eeuw woonden liggen geconcentreerd in een lange boog vanaf Geneve via deze streek naar La Rochelle aan de Atlantische kust. “Het calvinisme verspreide zich langzamerhand van Geneve naar de Languedoc. Het gedachtengoed van Calvijn sloot goed aan bij het onafhankelijke karakter van de bewoners deze ruige streek.

Geroezemoes langs de Tarn
Tussen witglimmende rotsen door lopen we het dorpje Le Pont-de-Montvert in. Kloeke granieten huizen nemen de plaats van rotsen in. De rust van de velden met stenen muurtjes en varens heeft plaatsgemaakt voor het geroezemoes van de terrasjes langs de rivier de Tarn. De vermoeidheid in onze benen spoelen we gulzig weg met Pernod en Duvel. Om ons heen is het vooral Frans wat de klok luidt. Onder gekleurde parasolletjes en platanen zit de wonderlijke Franse mix van jong, oud, intellectueel en arbeider te kletsen: Onvermijdelijke mannen in blauwe overalls, de loslopende hond met zakdoek om zijn nek en ook de naar patchoeli geurende hippiemeisjes zijn er nog steeds. Of de tijd hier veertig jaar heeft stil gestaan. Een Franse oase tussen de stadjes die in de zomermaanden worden overgenomen door buitenlandse toeristen.

Of ze het huis van abt Chayla weten, vraag ik twee vrouwen in bloemetjesjurken. Daar overnachtte zo’n 300 jaar geleden de belangrijkste inquisiteur. Ze wijzen naar een hoog huis met rode luiken aan de andere kant van de brug. “Dat huis is nieuw. Om de abt te pakken te krijgen, staken woedende Hugenoten het huis in de fik. De abt sprong uit het raam en eindigde op de calvinistische mestvorken”, gruwen de vrouwen. Het was het begin van een bloedige oorlog. Het Koninklijke leger branden Hugenotendorpen plat, vrouwen werden opgesloten en mannen eindigden als galeislaaf. Ook een Farjon werd aan de riemen geslagen. In een museum lees ik dat Louis uit Chasensac in 1747 is veroordeeld en, gelukkig, twee jaar later ontsnapt. De Hugenoten beten van zich af, maar acht jaar later was het verzet gebroken. Het openlijk belijden van het calvinisme werd pas weer mogelijk na de Franse Revolutie.

Kastanjes en schist
Het landschap verandert ingrijpend halverwege onze tocht. Na het toeristische stadje Florac, met zijn ingenieuze watersysteem gevoed door een onderaardse rivier, komen we geen granietblok meer tegen. Vanaf nu lopen wij over een schrale schistbodem. Er zijn minder velden en gehuchten. Slechts af en toe passeren we een alleenstaande  boerenhoeve. Nu hebben stedelingen ze opgeknapt en in gebruik. Het donkere bos licht regelmatig op waar het gekartelde blad van  tamme kastanjes een zacht  licht doorlaat. Stevenson is helemaal lyrisch als hij ’s ochtends in een kastanjegaard ontwaakt: “De herfst had gouden en rossige tinten op het groen geworpen, de zon schitterde tussen de grote bladeren door, zodat iedere boom zich losmaakte van de ander of van een verder gelegen heuvel, niet in schaduw maar in licht…”

“Kijk wat een grappige garage”, roept wandelgenoot Fabio enthousiast. “Je kunt het stenen huis van de weg inrijden, maar de andere kant kun je een verdieping lager naar binnen.” Bernard, de eigenaar van de garage komt poolshoogte nemen. “Het is een voormalige ‘clède’, een droogschuur voor kastanjes. Bovenin werd de kastanje-oogst gestapeld waarna men in het souterrain een vuurtje aan stak. De kastanjes worden pas vanaf oktober geoogst. Dan verdwijnt hier alles onder een klamme mistdeken en droogt niets.” Voor de bewoners van de Cevennes was de tamme kastanje eeuwenlang het hoofdbestanddeel van hun eten. Men bakte brood van kastanje meel en smeerde er kastanje stroop op. Nu kan je langs het pad overal kastanje ijs kopen. Het kan ons maar matig bekoren. Gelukkig hebben ze de vrucht niet in het Stevensonbier verwerkt, een streekproduct waar we wel graag naar grijpen. Na een uitbraak van een kastanjeziekte werd zwaar honger geleden. Was de verwoestende vorst van 1709 nog een zegen omdat er ruimte ontstond voor de zeer lucratieve zijdenteelt op moerbeibomen, in de tweede helft van de 19de eeuw sloegen de zijdemot en de inktziekte hard toe. Zo hard dat in korte tijd een derde van de bewoners de Cevennen verlieten en hun heil zochten in de fabrieken in lager gelegen dalen.

Alleen het laatste stukje van onze tocht, langs de stroomversnellingen van de rivier de Gradon lopen we door kastanjegaarden die niet zijn overwoekerd. De stekelige vruchten zijn al groot. Vroeg in de middag lopen we over een stenen brug St-Jean-du-Gard in. De drukke markt loopt op zijn einde. Hier verkocht Stevenson zijn Modestine. “Winst maakte ik nauwelijks, maar ik verdiende er wel mijn vrijheid mee terug” schrijft hij opgewekt.

 Aan een groot plein langs de rivier staat een sober kerkgebouw, eigenlijk een groot huis. Een kerktoren ontbreekt, de klok hangt in een poortje bovenin de nok van de voorgevel. “Dit is geen uitbundige gedecoreerde katholieke ‘eglise’ maar een hervormde ‘temple’ ”, vertelt Marlies Voorwinden, de Hollandse dominee van deze gemeente. In alle dorpen na Mont Lozere zagen we steeds twee kerken, hier in St-Jean heb je er drie.  “Er was een hervormde en een gereformeerde tempel. Sinds we zijn gefuseerd gebruiken we er nog maar een.”

Praktische informatie 

Het gemarkeerde Stevensonpad is 252 km lang en loopt door het middelgebergten van de Haut-Loire en de Cevennes van Le Puy-en-Velay naar Alès. Het noordelijke deel is minder hoog en steil dan het zuidelijke. Hoogste punt is Mont Lozere met bijna 1700 meter.

Bereikbaarheid
Start- en eindpunt zijn goed per trein uit Nederland te bereiken, lokaal is er soms goed busvervoer.

Voorzieningen
Voor een actueel overzicht van horeca en overnachtingsmogelijkheden zie www.chemin-stevenson.org Daar vind je ook hoe je zelf bagagevervoer kan regelen of een pakezel kan huren. Wij boekten overnachtingen met half-pension en bagagevervoer bij een wandelreisorganisatie.

Achtergrondinformatie
De Topoguide GR70 geeft goede routebeschrijving in het Frans. GPS tracks zijn onder meer te downloaden via Wikiloc.
Robert Louis Stevenson. 2014. Reizen met een ezel door de Cevennen. Uitgeverij Hoogland & Van Klaveren.
Dirk Hilbers. 2009. Cévennes and Grand Causses – France. Crossbill Guides. KNNV Uitgeverij.
John Merriman. 2003. De Stenen van Balazuc; de geschiedenis van een Frans dorp. Uitgeverij Bert Bakker.
www.museedudesert.com in Mialet geeft veel informatie over de Hugenoten in de Cevennen.
www.cevennes-parcnational.fr met informatie over verschillende bezoekerscentra, b.v. in Le Pont-de-Montvert.

De vlucht van een katoendrukker uit de Drôme

Eind zeventiende eeuw vluchtten zo’n 200.000 Franse Hugenoten naar protestantse gebieden in het noorden. Een langeafstandspad volgt hun vluchtsporen van de Drôme via Geneve en Schaffhausen naar het Duitse Bad Karlshafen aan de Weser.

Meer foto's         Verschenen in Wandelmagazine 2018-3

Hmm … Nog even genieten van la douce France voordat de Thalys mij weer naar Amsterdam terug flitst. Een grand café met een pain au chocolat; wat is het leven hier goed. De ochtend op het kerkplein van het provinciestadje Die is nog knisperfris, de markt wordt opgebouwd. De plompe kathedraal Notre-Dame steekt boven de breed uitbladerende platanen. Straks is het weer snikheet zoals de hele wandelweek. Fransen vullen het terras; er wordt heel wat afgekust. Een rondbuikige man zet zijn racefiets tegen een boom. Een van de vele noorderlingen die afgelopen decennia hier zijn neergestreken om te genieten van datgene wat Noordwest-Europa ontbeert.

“Zou hij geweten hebben waar hij aan begon”, mijmer ik over mijn verre voorvader, die in 1703 via Geneve aankwam in de stad aan de Amstel waar ik woon. Op de vlucht voor de terreur van de Zonnekoning tegen zijn protestantse geloofsgenoten. “Was-ie maar hier gebleven, dan woonde ik in dit paradijsje.” De afgelopen week heb ik weer veel met David opgetrokken. Mijn tocht begon in het petieterige dorpje Bouvières; daar komt hij vandaan. Je vraagt je af wat een katoendrukker in deze negorij deed. Het lege café is binnen vijf minuten gevuld met zes mannen en een vrouw, zo maar uit het niets. Nee, een Farjon woont hier niet, daarvoor moet je aan de andere kant van de Rhône zijn, in de Ardèche. Van Bouvières loop ik naar Le Poët-Laval, het startpunt van het langeafstandspad Sur les Pas des Hugenots. Dat volg ik vijf dagen naar dit heerlijke plein. Grotendeels samen met mensen die het pad hebben ontwikkeld: Johannes Melsen, hier volgens zijn Brusselse komaf Wannes genoemd, zijn Zwitserse vrouw Barbara en Jean-Jacques, oud-voorzitter van de VVV.

Wolken vlinders

Het uitzicht op het hoogste punt van de tocht, op Sommet de la Plaine, is fantastisch. Naar het noorden kijk je over het brede dal van de Drôme naar het hoge kalkplateau van de Vercors. In het zuidwesten steken Les Trois Becs omhoog, drie kalkrotsen aan het uiteinde van de enorme gesteenteplooi die het mysterieuze bos van Saou omsluiten. Daar kun je de gems en steenarend tegenkomen. In het zuiden ligt de scherpe inkeping van de Col de la Chaudière, waarover later meer.

Een jachtopziener staat spiedend naast zijn terreinwagen en wijst op mijn wandelstok. “Ik zou maar oppassen met dat wapen. Verderop loopt een herdershond. Die is heel gevoelig voor die dingen. Ga er maar met een wijde bocht omheen.” Het valt allemaal erg mee. Alles bij elkaar kom ik twee keer een kudde tegen, beide met een makke hond. Dat was wel anders toen David hier liep. Alle hellingen waren kort gevreten door het vee. Nu lopen we lange stukken door sparren-, eiken- en haagbeukenbos afgewisseld met weitjes vol gele brem, geurende wilde lavendel en roze lathyrus. Wolken vlinders dansen om ons heen. David zou verbaasd hebben gestaan van de metamorfose van zijn thuisland.

“In dat klooster daar beneden hoorde ik voor het eerst verhalen over de massale vlucht ”, vertelt Wannes, een reus met lange manen en volle bakkebaarden. Zijn handen zijn constant in beweging. We zitten in de lommerrijke domineestuin van het middeleeuwse dorpje Le Poët-Laval. “Ik gaf daar een training als lid van een kunstenaarscollectief uit Leuven. Een links collectief, zo was dat in die tijd”. Voordat het te heet wordt lopen we door stille stegen en langs een robuuste kasteeltoren de velden in. Het beeldmerk van het Hugenotenpad, een mannetje met een brede steek en een stok in zijn hand, wijst ons de weg.

Un peu de mayonnaise

“Pas jaren later ging het verhaal pas echt goed leven”, gaat Wannes verder achter mijn rug. Ik had me hier gevestigd en deed in het Duitse Marburg, een stadje ten noorden van Frankfurt, iets aan promotie van de clairette, de tintelfrisse spuitwijn van hier. Rond deze stad lagen dorpen, zoals Louisendorf, die eind zeventiende eeuw waren gesticht door Hugenoten uit de Drôme. Ik wist niet wat ik hoorde.” Duitse vorsten waren heel tuk op nieuwe bewoners van hun grondgebied, dat was ontvolkt door de bloederige Dertigjarige oorlog. Ook in Brandenburg, Baden-Wurtemberg en in de omgeving van Kassel zijn Hugenotendorpen gesticht. Zelfs driehonderd jaar later waren die dorpen nog zo Frans, dat de Duitse keizer hier geen Franse krijgsgevangen durfde onder te brengen. “Toen ben ik met dit prachtige erfgoedverhaal aan de slag gegaan. Ik ben iemand die vragen stelt en mensen bij elkaar brengt.” Meestal zijn dat culturele projecten.

Onderweg belt hij om de opvoering van zijn komische opera op een kasteeltje bij Bourdeaux vlot te trekken. Hij legde contact met de specialist op het gebied van de protestantse geschiedenis in Frankrijk, de hooggeleerde Pierre Bolle van de universiteit van Grenoble. “Die stuurde me naar huis met een stapel historisch materiaal”, lacht hij gul. “Daarna begon het taaie werk om met die kennis allerlei instanties in drie landen en op verschillende bestuurlijke niveaus enthousiast te maken voor een wandelroute. Zoals Jean-Jacques het zo prachtig zegt: “Ça prend un peu de mayonnaise.” “En het heeft echt geholpen dat Wannes zijn hele schoolcarrière bij de Jezuïeten heeft doorgebracht”, vult Barbera aan. Er leefde nog best wat reserve. “Bij protestanten het sentiment: ‘en nu zul je zien dat die katholieken geld gaan verdienen aan het verhaal van ons lijden toen’”, vertelt Jean-Jacques met smaak. Onder katholieken moest voorkomen worden dat het pad werd gezien als een protestantse versie van de Camino. “We hebben het pad altijd gepromoot als cultureel erfgoed dat bijdraagt aan de economie van de streek”, glundert Johannes olijk.

Op een kruispunt staan twee bordjes die naar een gebedshuis verwijzen. De Chemin de l’ Eglise voert naar boven, naar het Romaanse kerkje van Comps, dat majestueus midden in de velden staat. Het interieur kent geen tierelantijnen, een Mariabeeld daargelaten. De soberheid van dat kerkje zien we terug in de Ruelle du Temple waar de voormalige protestantse kerk nederig tussen de huizen staat. De Fransen noemen dat een tempel. Nadat Calvijn vanaf 1528 in Geneve ging preken vonden zijn opvattingen in de nabijgelegen Drôme snel weerklank en kregen veel steden en dorpen in de streek twee gebedshuizen. Dat veranderde rigoureus in 1685, toen de Zonnekoning de relatieve vrijheid van de Hugenoten, die met het Edict van Nantes was bezegeld, herriep. Alle tempels werden met de grond gelijkgemaakt en een Hugenoot had drie keuzes: bekeren tot het enige ware geloof, opsluiting of vluchten.

En désert

De forse beuken van het Bois de la Vache laten slechts weinig licht door. Een ideale plek om dingen te doen die het daglicht niet verdragen. In het bos staat een soort natuurlijk altaar van kalksteenrotsen. “Dit was een plek was waar de in naam bekeerde Hugenoten ‘s avonds bij elkaar kwamen voor de preek en désert’’, vertelt Wannes. In Nederland noemen we ‘een preek in de woestijn’ een hagenpreek. “Je moet goed bedenken dat niet iedereen kon vluchten”, gaat Wannes verder. “Vooral mensen zonder geld of met geld dat vast zat in onroerend goed, grond of een kasteel, bleven. Net als de Syriërs nu had je veel geld nodig om de lange ongewisse reis te ondernemen. Dus waren het vooral ambachtslieden en vrije beroepen, zoals dokter of notaris, die een beter leven in het noorden zochten.” Zo’n preek en désert was niet zonder risico. Als de soldaten je betrapte, werd je geboeid weggevoerd. De mannen naar de galeien, de vrouwen naar de imposante gevangenentoren van Crest. Predikanten die hing men zonder pardon meteen op.

De hele maand juni heeft de zon de hellingen van Col de la Chaudière geblakerd. De pas ligt ingeklemd tussen les Trois Becs en Le Grand Delmas. Alleen de bronnetjes onderweg zorgen voor verkoeling. “Je kunt je bijna niet voorstellen dat hier ’s winters de ijskoude wind de sneeuw in witte hopen blaast”, verzucht Jean-Jacques. “Het is een kwelling geweest voor de vluchters. Heel wat vroren hier vast.” Minstens zo gevaarlijk waren de struikrovers en de soldaten van de koning. “De vluchtelingen reisden in grote groepen, vooral op marktdagen als er al veel volk op de been was”, verhaalt Barbara. “In elk dal sprak men een ander dialect, dus je viel meteen op.” Dan waren er nog de woest stromende rivieren. Als ik aan het einde van mijn hete tocht in het verkwikkende water van de Drôme plons, kan ik me bijna niet voorstellen dat snelstromende rivieren toen hindernissen waren zoals de Middellandse Zee nu. “Een groep van honderd Hugenoten verzopen in de Zwitserse rivier de Aare in een trekschuit die 25 mensen kon vervoeren. Kun je je dat voorstellen?”, vraagt Wannes vol huivering.

Bidonvilles

Hoe anders is de houding in de Drôme naar andere culturen nu. “Binnenkort komt er een Syrisch gezin naar ons dorp”, zegt Jean-Jacques trots. Regelmatig hoor ik dat de Drôme in tegenstelling tot de nabijgelegen Provence een pays d’ acceuil is, een land waar je gastvrij wordt ontvangen. En van spanningen door de toevloed van de vele noordelingen is in tegenstelling tot de Ardèche nooit sprake geweest.

En hoe was de stemming in Amsterdam toen mijn David daar arriveerde? De geest van Merkel waarde er rond. Voor de nieuwkomers waren er vrijstellingen van belastingen, gildegelden en deelname aan milities. Met crowd funding werden behoorlijk veel florijnen binnengehaald om de geloofsverdrevenen op weg te helpen. De Republiek wierf zelfs actief Hugenoten uit de textielnijverheid om de terugvallende economie op te peppen. Of David, die als katoendrukker werd ingeschreven in de Waalse kerk, zoals historisch onderzoek laat zien een herstartkapitaal en een bedrijfspand toegewezen kreeg, weet ik niet. Wel dat er een gravure van zijn buitenplaats De Catoenboom aan de Amstel in het Rijksmuseum hangt. Ook dat het bedrijf al snel het loodje legde; de volgende generaties glijden al snel af naar beroepen zoals askarman en wonen in de bidonvilles van Amsterdam: tussen warmoezerijen, vuilstorten en begraafplaatsen net buiten de stadswallen bij de Jordaan.

Praktische informatie

Het langeafstandspad Sur les pas des Hugenots is 1600 km lang en voert vanaf Le Poët-Laval in de Franse Drôme naar het Duitse Bad Karlshafen aan de Weser. Het pad is bewegwijzerd en uitstekend gedocumenteerd met kaarten, routebeschrijvingen en gps tracks op www.surlespasdeshuguenots.eu/nl/  Bovendien goede informatie over overnachten in gîtes, hotels en campings.

De beste maanden voor een bezoek zijn mei, juni, september en oktober. ’s Zomers is het erg heet.

Het Franse deel is zeer goed bereikbaar per hogesnelheidstrein via Parijs. Aansluitend bus en/of treinvervoer naar grotere etappeplaatsen van het Franse deel zoals Le Poët-Laval, Die en Grenoble.

Meer over de geschiedenis van de Hugenoten in het Musée du Protestantisme dauphinois in Le Poët-Laval: www.museeduprotestantismedauphinois.com