Wandelen in Extremadura

Extremadura is een autonome regio in Spanje dat globaal halverwege Lissabon en Madrid ligt. Het landschap bestaat uit een uitgestrekte hoogvlakte met enkele bergruggen die doorsneden worden door de geirrigeerde riviervlakten van de Taag en de Guadiana. De regio is dunbevolkt en het land wordt extensief gebruikt als boomweiden met kurk- en steeneiken waar vee onder graast of graan wordt verbouwd. De fraaie steden in Extremadura zijn rijk aan bouwwerken uit de Romeinse, Moorse en christelijke tijd. De hoofdstad Mérida is een van de best bewaarde Romeinse steden met een amfitheater, een theater, een renbaan, villa's en drie aquaducten. Caceres heeft een gave Moorse stadsmuur met torens en een keur aan barokke stadspaleizen die gebouwd zijn door Conquistadores die rijk terugkeerden uit Latijns-Amerika. Guadeloupe was tot de opkomst van Santiago en de bouw van het Escoriaal de religieuze hoofdstad en de belangrijkste zetel van de Spaanse koningen. Het van oorsprong Portugese Olivenza bezit een van de mooiste azuelos kathedralen ter wereld. Badajoz wordt nog niet door zoveel toeristen bezocht, maar de restauratie van de oude Moorse stad is de laatste jaren volop opgepakt.

Wandelingen

Spanje heeft een zeer goed ontsloten netwerk van langeafstandspaden, de zogenoemde Caminos Naturales. Ze zijn uitstekend gemarkeerd en de routebeschrijvingen zijn in het Spaans beschikbaar in de app Caminos Naturales en een website. De etappes zijn soms langer dan 30 km en onderweg is vaak geen horeca aanwezig. Wel biedt elke etappeplaats een overnachtingsmogelijkheid, maar die zijn helaas niet in de gidsen opgenomen. Vooruitplannen is daarom aan te raden. Wij verkende de mogelijkheden van de volgende paden in Extremadura:

  • Camino Natural del Guadiana: 1034 km in 44 etappes van de bron bij Ruidera naar de monding. De Spaanstalige gids is hier te downloaden 
  • Camino Natural del Tajo: 1020 km in 43 etappes van de bron bij Albarracín naar de Portugese grens. De Spaanstalige gids is hier te downloaden
  • Camino Natural de Las Villuercas: 70 km van Logrosan naar Minas Sta. Quiteria met een aftakking naar de voormalige religieuze hoofdstad van Spanje, Guadeloupe. Route tracks en kaarten zijn hier te downloaden.

Ook loopt er door de regio een pelgrimspad de Via de la Plata. Deze route van Sevilla naar Santiago de Compostella is populair en biedt goede overnachtingsmogelijkheden. Een nadeel is dat de route de oude Romeinse weg volgt en je soms over drukke wegen loopt en het geruis van de autosnelweg nooit ver weg is. Meer info hier

De volgende dagwandelingen bevelen we van harte aan:

Verder de wandelgids van Gisela Radant Wood: Walking the Sierras of Extremadura: 32 half and full day walks in western Spain. 2017 Cicerone ISBN 978 1 85284 848 4. Haar website www.walkingextremadura.com geeft nog meer wandelingen, in steden Mérida en Caceres. 

Achtergronden

www.turismoextremadura.com 

De beste natuurgids voor Extremadura is de gelijknamige Engelstalige Crossbill Guide van Dick Hilbers. De 1e druk is uitverkocht, maar hier deels in te zien. De tweede herzien druk komt in november 2019 uit

Extremadura: Op zoek naar het zwarte varken

Wandelen in het lege land van Extremadura betekent lopen tussen de stokoude steen- en kurkeiken van de dehesa, venijnige zaden in je sokken en boven je hoofd zwierende ooievaars en wouwen. Zomers is het zo heet, dan doen ze er aan sterrenwandelen. De rest van het jaar is het overdag prima om in de buitenlucht op pad te gaan.

“Deze steeneik is wel duizend jaar oud”, vertelt Juan Jesùs vol passie. De boom heeft een korte stam met diep gegroefde schors. Alle energie heeft de eik gestoken in haar zijtakken. Wat een spanwijdte! “Dat bladerdek beschermt de bodem en het grazende vee tegen de verzengende hitte. De boeren helpen de steeneik daar wel een handje bij, want uit zichzelf schiet hij het liefst de lucht in. Naar de zon.”

We staan met vijfentwintig wandelaars van Grupo Senderista La Vereine in de schaduw van de knoepert. Wandelen met een wandelgroep, we hadden het niet voor mogelijk gehouden. Liefst trekken we er alleen op uit of met een paar vrienden. Dat we nu toch sociaal wandelen, is te danken aan Gisela Radant Wood.

Kurkeik, iep en knotwilg

“Ik zou in een volgend leven wel een boom willen zijn die veel schaduw geeft, een kurkeik. En jullie, welke boom zouden jullie willen zijn”, lacht Gisela. Pffff, geen eenvoudige vraag. Het duurt even en dan volgen, heel saai, de bomen uit onze jeugd: de lange iep en de robuuste knotwilg. Gisela schrijft wandelboeken en woont al zo´n twaalf jaar in de Sierra de Montáchez. We lopen met deze energieke Engelse dame door haar sierra langs eeuwenoude watermolens. Prachtige kurkeikbossen heb je hier, waar het rood van pas geschilde stammen contrasteert met het groen van de bladeren. Meestal wandelt ze in haar eentje, iets wat ze in Engeland niet zou durven. Maar een echte solist is ze niet. Op zondag trekt ze er op uit met de wandelgroep van Almoharín, het dorp waar ze samen met haar man woont. “I love this social side of walking.” Voor haar een manier om echt bij het dorp te horen. Er loopt ook een Engelsman mee, maar zelfs met elkaar spreken ze nooit hun moerstaal, altijd Spaans. Wandelen is ook eten: om de beurt kookt iemand voor de groep. Eén keer per jaar nodigen ze andere wandelgroepen uit en dan maken Gisela en haar wandelvrienden voor een paar honderd mensen een maaltijd klaar. Het is niet alleen lekker wandelen en eten, de wandelgroep markeert ook routes en houdt de paden open. We zijn enthousiast. Als we ooit in een Spaans dorp gaan wonen, dan worden we lid van zo´n wandelgroep, dat is zeker.

De bloeiende dehesa

Vooralsnog zoeken we voor een weekendwandeling op internet naar een wandelgroep in Cáceres, de fraaie stad waar we slapen. Contact maken lukt niet erg. De Facebookpagina is al lang niet meer geüpdatet en de webredacteur reageert niet op onze mail. Gelukkig is er wel een agenda: zaterdag vertrek om 8 uur met een bus vanaf Calle Islas Fillipinas. Waar precies is niet duidelijk, het is een lange straat, dus ruim op tijd lopen we daar in een buitenwijk op en neer. Nog geen mens of bus te bekennen. Aha, daar loopt dan toch een jongeman met een dagrugzakje. En die man daarginds met zijn lange wandelstok zou ook wel eens lid kunnen zijn van de wandelgroep. We zetten de achtervolging in en belanden bij de bus. Na het tonen van onze zorgverzekeringspas mogen we mee naar Montehermoso.

De tocht van vandaag voert door het beschermde deel van de Dehesea Royal de Montehermoso. Dehesa is het Spaanse woord voor boomweide, een eeuwenoud cultuurlandschap met kurk- en steeneiken waaronder koeien of varkens hun kostje bij elkaar scharrelen. Een landschap waar de mens het natuurlijke bos naar zijn hand heeft gezet. Zo zijn we in de schaduw van die eeuwenoude steeneik terecht gekomen waar we dit verhaal mee begonnen. Het vroege zonlicht valt om ons heen en doet de bloemenpracht knallen. Geel van de bloeiende bezemstruiken, de christusanjelier en de ganzenbloem, paarsblauw van de verschillende distelsoorten. Wat heerlijk om hier een Iberico-varken te zijn, lekker in alle vrijheid de grond omwoelen en te smullen van al die eikels. Maar zien doen we de leverancier van de jamón ibérico nog niet. Wel een groepje witte koeien aan de oever van een meertje.

Knorrend door de stal

Bij een schuur van roodbruine zandsteen schiet onze groep opgewonden de lage poortjes van een verlaten varkensstal in. Dat doen ze op hun knieën en toch stoot Pedro – ¡ay! – zijn hoofd. Door een gat in de wand zien we hoe onze wandelvrienden binnen lekker rondscharrelen onder het plafond van gestapelde stenen. Een enkeling begint zelfs te knorren. “Waar zijn de varkens gebleven?”, vragen we Juan Jesùs. “Door varkenspest zijn ze hier verdwenen. Voor het zwarte varken moet je naar het zuiden van Extremadura, waar ook de grote hamdrogerijen staan. Hier hebben we alleen nog wilde zwijnen.” Eerder op de wandeling had hij ons op met modder besmeurde steeneiken gewezen. Schuurbomen zijn het, waarmee het zwijn zich van de prut en parasieten in zijn vacht verlost na een modderbad

La Seca

Juan Jesùs probeert met een groep vrijwilligers uit Montehermoso de dehesa in stand te houden. Net als de boeren vroeger snoeien ze de eiken zo dat de kruinen breed blijven. Ook voorkomen ze dat bij gebrek aan scharrelende varkens overal struiken opschieten. Dan verandert de boomweide in struikgewas met grote eiken. Een andere bedreiging van de boomweide is ‘la seca’, de ziekte die steeneiken tot prachtige karkassen omvormt, behangen met grijze baardmossen. Een remedie tegen deze mysterieuze aandoening is er nog niet. Daarom doen ze er alles aan om jonge steeneiken uit te laten groeien tot volwassen bomen. Het moet gezegd, dat lukt heel goed. Overal steekt eikengebladerte uit de grond, soms beschermd door wat gaas.

De groep slingert in een kleurig lint door de boomweide. Torro is net als wij geen lid van de wandelgroep en nieuwsgierig naar de dehesa. Ze is wel lid van een andere wandelgroep in Cáceres. “Daar drinken ze minder alcohol”, zegt ze een beetje streng. Als we na de wandeling neerstrijken in het stadspark laat ze niet alleen het bier maar ook de tapas met gebakken varkenswangetjes aan haar voorbij gaan. De kokkin van de mensa in Cáceres is vegetariër. Ze is de enige die na afloop ontbreekt in de Irish Pub waar we de 21ste km van de wandeling doen.

Ooievaarskolonie

In de ban van het landschap lopen we de volgende dag heel alleen door een andere boomweide, die van Los Barruecos bij Malpartido de Cáceres. Deze keer een dehesa bezaaid met gigantische granietblokken. Nog steeds geen vrolijk knorrende varkens te bekennen, maar wel een ooievaar op een joekel van een rots. We zagen ooievaars nestelen op kerktorens, elektriciteitsmasten en fabrieksschoorstenen, noem naar op, maar nog nooit op rotsblokken. “Kijk, daar nog een nest, en daar nog een”, fluisteren we opgewonden naar elkaar. We staan midden in een kolonie ooievaars. In sommige nesten steken de jongen heel even hun kop boven de takken uit. We nemen plaats op een lege rots tussen het felle geel van de bezemstruiken en luisteren naar het geklepper van de vogels.

Portugal in Spanje

In het zuiden bij Olivenza lopen we door de dehesa langs de Guadiana. Aan de overkant van de rivier zien we de Portugese vestingwerken van Juromenho. Het is een van de vele imposante fortificaties langs de grens waarmee Portugal met behulp van bondgenoot Engeland buurland Spanje op afstand wist te houden. De grens tussen Portugal en Spanje is sinds de veertiende eeuw niet meer gewijzigd en daarmee de oudste nog bestaande grens van Europa. Alleen Olivenza moesten de Portugezen in 1801 afstaan.

“Waar is de Plaza Portugesa?” vragen we een paar oude mannen. Die zou, had iemand ons verzekerd, nog steeds bestaan. Onze vraag schept verwarring. Er is helemaal geen Plaza Portugesa. Na wat overleg verwijzen ze ons naar de Avenida Portugesa. Die blijkt heel bescheiden uit te komen op de Plaza de España. Ben je geboren in Olivenza en je vader of moeder ook, dan heb je recht op een dubbele nationaliteit: de Spaanse en de Portugese. Olivenza ademt nog steeds de sfeer van een Portugees stadje met kerken versierd met azulejos en zuilen gevlochten als scheepstouwen.

Na een duik in de Guadiana lopen we over de heuvels van het achterland. En dan tussen de steeneiken zien we ze scharrelen, de zwarte varkens van Extremadura. We zouden er wel heen willen hollen, even zelf een zwart zwijn zijn. Prikkeldraad houdt ons tegen.

Op zondag ontwaken we uit onze romantische varkensdroom.“ De meeste zwarte varkens worden net als bij jullie in varkensstallen vet gemest”, verklapt Angel, de vriendelijke reus van wandelgroep Camino de la Plata uit Mérida. Daar hebben we ons deze keer natuurlijk weer bij aangesloten om samen te struinen door de dehesa en van de tapas en een biertje te genieten na de wandeling. De gebakken varkenswangetjes laten we onaangeroerd.

Wandelen langs de aquaducten van Romeins Mérida

Mérida was de belangrijke Romeinse stad in de Spaanse regio Extremadura. Dat is goed is af te lezen aan de vele goed bewaarde gebouwen, die heel wat bezoekers trekken. Ik zocht de rust en wandelde langs de sporen van het Romeinse watervoorzieningsysteem waaronder drie aquaducten die me naar stuwmeren en bronnen buiten de stad leidde.

meer foto's

“Mijn paard drinkt uit een Romeinse put”, lacht Angel gul. Het is heet; aan het einde van deze middag in mei in de campo rond Mérida. De goudgele graanvelden zijn al geoogst of het staat zo te gebeuren. “De winter was veel te droog”, zucht de paardenboer. “Nu moet ik morgenochtend vroeg weer met hem naar de put. Anders legt ie het loodje.” Op mijn vraag waar het water vandaan komt, wijst Angel heuvelopwaarts. “Daar in het bosje ligt een bron en begint het aquaduct van San Lázaro.” Je kunt het spoor van het aquaduct door het gele graan makkelijk volgen; groene struiken lebberen van het water in de goot.

Het aquaduct is een van de drie waterbronnen van de stad, die de Romeinen vijfentwintig jaar voor Christus stichtten en Emerita Agusta doopten. Ze kozen een strategische plek waar hun belangrijke noord-zuidweg in het meest westelijke deel van hun rijk, de Via de la Plata, de rivier Guadiana kruist. De plaats groeide al snel uit tot de hoofdstad van hun provincie Lusitania. De behoefte aan water nam snel toe, niet in de laatste plaats omdat de Romeinen graag met elkaar lummelden in de vele termen. Overal in de stad vind je resten. Zo zweeft aan de Calle Reyes Heurtas een nieuw appartementengebouw boven de opgegraven resten van termen. Donkerblauwe tegeltjes waren toen helemaal in. Ook in de opgravingen van prachtige villa van de voorname Romein Mitrea zien we ze terug.

Cornalvo, San Lázaro en Proserpina

Het oudste van de drie wateraanvoersysteem, het aquaduct van Cornalvo betrok zijn water uit de bovenloop van de Rio Alberregas en de Arroyo de las Mueles. Zo’n 16 km ten noordoosten van de stad werden twee stuwdammen aangelegd. In de stad is slechts een klein stukje terug te vinden, ergens verstopt tuusen het theater en de Plaza de Toros. Na Cornalvo volgde het eerdergenoemde aquaduct van San Lázaro. Het derde systeem wordt ook gevoed door een stuwmeer op slechts 5 km ten noordwesten van de stad: Embalse Proserpina.

Om vanuit de stad bij mijn logeeradres te komen moet ik door een poort in het gave aquaduct van San Lázaro, waarvan de granieten stenen zo’n tien meter boven de Rio Albarregas uittorenen. Mijn oog valt op een verweerd bord met een grof kaartje van Los Caminos del Agua Romanas. Het blijkt een wandelroute van 28 km waarvan de markeringen zo goed als verdwenen zijn. Ik voel me uitgedaagd en ga op stap. Eerst volg ik de rivier stroomafwaarts door een lommerrijk wandelpark naar het nog hogere aquaduct los Millagros. De imposante bogen van rode baksteen en grijs graniet dragen geen waterleiding meer, maar wel een tiental ooievaarsnesten. “Klepper-de-klep”, groet papa ooievaar zijn vrouw die met een bek vol ‘tapas’ aan komt vliegen. Af en aan zweven de zwart-witte vogels; je snapt opeens wat vliegtuigspotters en vogelaars van de straat houdt. Links voert het aquaduct naar de Romeinse restanten van het fontein en het waterverdeelcentrum in Calle Calvario. Netjes van informatiepanelen voorzien.

Zucht naar avontuur

De informatiepanelen zijn niks voor mijn zucht naar avontuur, dus ik sla rechtsaf, een smal parkje in. En ja hoor daar staan nog enkele grijsrode pilaren. Na een speeltuin begint een dikke muur met goten, die een paar honderd meter verder op nog maar net boven de grond uitsteekt. “Het water voor dit aquaduct kwam uit Embalse Proserpina”, vertelt een stevig Spanjaard in een strak rood T-shirt die zijn hond Avi uitlaat in een parkje. De muren slingeren tussen het gras naar rechts en dan weer met een wijde bocht naar links, zo een verlaten akker buiten de bebouwing van Mérida in. Na twintig meter verdwijnt elk spoor. Ik vraag of het spoor verderop weer op te pikken valt. “Nee”, lacht ie verrast, “Daar zijn te veel autowegen aangelegd. Maar je kunt de koninklijke schapendrift nemen. Dat loopt lekker rustig.” Zo’n schapendrift is een pad met aanpalende stroken openbaar land waardoor herders hun kuddes mochten laten lopen om van de zomerweiden naar de winterweiden te gaan en omgekeerd. Die stroken zijn soms niet breder dan een zandweg, maar ook wel honderd meter breed. Spanje kent duizenden kilometer van deze schapenwegen van noord naar zuid. Deze heet voluit Cañada Royal Santa Maria Arroyo.

Tot het stuwmeer is vandaag geen schaapskudde te bekennen, het blijft bij een voorbij zoevende mountainbiker, een ooievaar of de zoveelste rondcirkelende wouw. De laatste klim naar de stuwdam is even pittig. Die dam is echt indrukwekkend. Hadden de Romeinen al flink met granieten stenen gestapeld, de Visigoten, die hen verdreven, vertrouwde het zaakje niet en zetten er nog een fikse hoop klei tegen aan. Allemaal mooi beschreven op een woud aan informatieborden; de centjes van de EU-fondsen moeten duidelijk op. Maar geen tijd voor Eurosceptische gedachten, gauw het heerlijke frisse water in. En dan lekker drogen op de geel bestoven granietrotsen die uit het water steken. En wachten op de koelte van de avond.

Water kapen

Herboren zetten we de pas er maar weer in. Voordat we teruggaan, eerst nog een stukje op en neer over het pelgrimspad van Sevilla naar Santiagio, gewoon de Via de Plata van de Romeinen. Langs het pad ligt nog een obscuur deel van het Romeinse watersysteem: een kanaal dat het water van de aangrenzende Arroyo de Las Adelfas wegkaapte en naar Proserpina leidt. Het kanaal kronkelt dat het een lust is. De kortste weg terug inaar Merida s niet langs dit kanaal maar verder door de schapendrift. Maar dit is andere koek, geen brede zandweg, maar een ATB-spoortje dat al snel in allerlei schapenpaadjes tussen de geel bloeiende bezemstruiken verdwijnt. Gelukkig wijst de prikkeldraadazetting aan beide zijden van de schapendrift de weg. Maar na een kilometer waaiert de schapendrift nog verder uit en moeten we het zelf uitzoeken. Verder op schieten auto’s voorbij over een snelweg, en ja daar is een hoog viaduct. Daar moeten we onder door. Hup gewoon in een rechte lijn door de vaalgele steppe. Binnen de kortste keer zitten mijn sokken vol de puntige zaden van de grassen. Nog weken later ben ik met een pincet in de weer om ze eruit te pulken. Maar wat een mooi avontuur. Zo loop je over een lage granietkop met wat steeneiken, dan weer door een natte laagte vol donkergroene russen. Gebrandmerkte schapen schieten weg met koereigers op hun rug. Hagelwit fladderen ze op. Bij het viaduct is het nog even spannend. Een grote hond bewaakt een ezel en een paard, die het viaduct hebben gekraakt. Geen mens te bekennen, dus maar een steen gepakt want ik moet er onder dit viaduct door. Hups nog even het illegaal geplaats hek over zonder de tanden van de hond in de kont te voelen. En dan fluitend een lange rechte zandweg af, terug naar de Romeinse stad. Als ik de vertrouwde stenen muren van het aquaduct van San Lázaro zie, weet ik het. Ik ben bijna thuis. Moe maar voldaan.

Praktische informatie

Mérida ligt ongeveer halverwege Madrid en Lissabon op de Spaanse meseta. De stad is goed met trein en bus bereikbaar uit Madrid. Vanuit Lissabon zijn er nog snellere busverbindingen. Mérida kent een ruim aanbod aan overnachtingsmogelijkheden en eetgelegenheden. De horeca bij Lago Proserpina zijn slechts geopend op hoogtijdagen, als het heet is en de Spanjaarden vrij zijn.

Wandelroute van 23 km is beschikbaar op Wikiloc of via onderstaande Google Maps kaart.