Wederdopers aan de Weichsel

Op zoek naar het Hollandse landschap in de uitgestrekte Poolse Weichseldelta vind ik eindelijk, na dagen lopen, op het kerkhof van Stogi Malborski graven met Hollandse namen. In het begin van de zestiende eeuw werden Mennonieten, de eerste hervormingsbeweging in de Nederlanden, verbeten vervolgd. Ze vluchtten onder meer naar de drassige Weichseldelta. Daar  waren deze kundige bedijkers graag geziene gasten en konden onder Pools gezag bijna 250 jaar zichzelf blijven. Ze spraken Nederlands en drukten een Hollandse Bijbel. Duits gezag vaagde deze subcultuur geleidelijk weg. In 1945 werden de laatste door Stalin verdreven. De sporen van Mennonieten en hun landschap liggen langs een prachtige wandelroute over dijken en langs rivieren door een bekend aandoend landschap. Een vierdaagse wandeling van de oudst bekende vestigingsplaats van Hollanders in Polen naar de imposante ridderburcht Malbork in het hart van de Weichseldelta.

Verschenen in Op lemen Voeten 2001-1

 

Meer foto's

De trein brengt me van Gdansk naar het tachtig kilometer oostelijk gelegen Paslek. Dit stadje staat bekend als Pruissisch-Hollandt. Haar Hollandse historie gaat terug tot een tekst in haar oudste privilege van 1297:"... quam secundum primos locatores, qui de Hollandia venerant, Holland appelavium". Zichtbare sporen ontbreken. Deze Hollanders maakten deel uit van de grote groep Hollanders en Vlamingen die in de 12de en 13de eeuw naar het Oosten trokken. Deze trek vanuit Nederland en Duitsland naar het Oosten was qua massaliteit vergelijkbaar met de kolonisatie van Noord-Amerika eeuwen later. De kolonisten werden actief geworven door de plaatselijke katholieke machthebbers, om hun door oorlogen en pestepidemieën verwoest en ontvolkte grondgebied te (her)ontginnen en kerstenen. In deze streek waren dat de kruisridders van de Duitse Orde. Deze kruisridders kwam eind 13de eeuw de Poolse vorst te hulp in zijn strijd tegen de heidenen. Maar dat liep anders af; zij namen het noordelijk deel van Polen over. In Malbork het einddoel van mijn wandeling staat een enorme burcht, die meer dan een eeuw de hoofdstad van het gebied van de Duitse Orde was. Paslek ligt op een hoogte die uitkijkt over de Weichseldelta, het eigenlijke doel van mijn wandeling. Dit laaggelegen gebied werd veel later, in de 16de eeuw,  (opnieuw) ontgonnen door voornamelijk Mennonieten uit Nederland. Hiervan is veel meer van bekend. Ik loop vanuit het hooggelegen stadje de laaggelegen vlakte in.

Mennonieten

De gehele vijftiende eeuw was een zeer onrustige tijd waarin Polen stukje bij beetje hun grondgebied op de Duitse Orde heroverde. In 1466 wordt de Weichseldelta voor ruim 300 jaar Pools en het heuvelland rond Paslek en Elblag Pruisisch. Zowel de Duitse vorst van Oost Pruissen als de Poolse koning wierven actief Hollanders om het ontvolkte en verwoeste land weer belasting te laten opleveren. Dit waren vooral Mennonieten, gematigde Wederdopers uit Holland en Oost Friesland. Wederdopers wezen de kinderdoop en de dienstplicht af. In 1535 probeerde deze rebelse beweging vergeefs het rijk Sion gewapender hand te  vestigen, onder meer in Munster en Amsterdam. In 1534 werd het Amsterdamse stadhuis een dag door Wederdopers bezet en op bloedige wijze ontzet. Zij vluchtten naar de Weichseldelta met de boten die graan en hout vanuit Gdansk, Elblag en Kaliningrad naar Amsterdam vervoerden.
De oudst bekende vestigingen van Mennonieten liggen in de Dantziger Werder bij Gdansk (1522) en in dorpen in het heuvelland rond Paslek (Salkowice, 1527). In 1527 sluit Albert van Brandenburg een pachtcontract met Hendrik Claasz van Alkmaar en Thomas Lorenz van St.Maarten voor land in het dorp Salkowice bij Paslek. Deze kolonisten trokken enkele jaren later naar de Poolse Weichseldelta, waar de godsdienstvrijheid en de bodemvruchtbaarheid groter waren. In andere delen van de delta stammen de eerste pachtcontracten met Hollandse Mennonieten uit de periode 1550 tot 1600. Zo krijgen in 1562 Simon en Steffen Loysen een pachtcontract in Tiegenhof (het huidige Nowy Dwor).

Jez Drusno

Ik loop Paslek uit en kom in polders aan de voet van het heuvelland. De riviertjes uit de hoger gelegen gronden zorgden hier duidelijk voor wateroverlast. Langs alle beken liggen dijken. Zo kan ik over de grasdijk van het riviertje de Waska van Paslek naar het grote meer Jez Drusno te lopen. Dit meer was vroeger een onderdeel van het grote haf (binnenzee) Zalew Wislany. Door verdere opslibbing van de Weichseldelta en drooglegging is een  meer ontstaan.  Rond 1600 was dit meer drie keer zo groot. Het droogmaken van dit meer is in belangrijk mate door Hollandse Mennonieten uitgevoerd. De tocht over de Waskadijk biedt prachtige vergezichten over de sappige hooilanden met bonte kleuren. De gehuchten en boerderijen in het weelderige groen zijn zeer landelijk. Je komt er meer melkbussen dan auto's tegen. Het is heel rustig, geen hond blaft. En elk gehucht heeft nog een klein winkeltje. Je kunt je moeilijk voorstellen dat het gehucht Wesna het overblijfsel is van de Hollandse ontginning Weeskenhof uit 1557. Het meer zie je in de verte liggen, niet als water maar als moerasbos dat langs de oevers van het meer ligt. Het is een belangrijk rustgebied voor watervogels. Zelfs de zeearend is een vaste bezoeker. Ik steek door de weilanden en bereik het Kanal Elblaski .Het kanaal is in de 19de eeuw aangelegd door Jan Steenke, een Nederlandse ingenieur. Het verbindt Elblag met het Mazurische merengebied en verder Litouwen en Belarus.

Droogmakerij

Mijn tocht gaat verder langs de oevers van het meer tot het gehucht Stabkowo. Het gehucht ligt op een hoger gelegen strook boezemland waar het riviertje de Brzeznica door stroomt. Het is eeuwenlang de grens tussen Pruissen en Polen geweest. We gaan naar beneden en komen in delen van het drooggelegde meer Drusno. De droogmakerij Nowy Dolno met een rechthoekig ontginningspatroon doet aan de Schermer en Beemster denken. Markusy was een van de meest Hollandse dorpen in dit deel van de delta. De Mennonieten leven in gesloten gemeenschappen altijd op zoek naar plekken waar zij zoveel mogelijk vrijheid van het wereldlijk gezag konden genieten. In de Weichseldelta dwongen ze hun vrijheid onder Poolse koning als het ware af met hun ijver en hun kennis van molen- en dijkenbouw. De hoge opbrengsten van hun land stond garant voor een ruime belastingopbrengst. De geschiedenis blijkt een aaneenschakeling van discussies over de rechten en plichten van de Mennonieten, zoals recht op eigen kerken en scholen,  en vrijstelling van inkwartierplicht en  werkzaamheden aan de hoofddijken. Lokale autoriteiten proberen steeds weer van deze privileges af te komen. En elke Poolse vorst lijkt het recht te hebben bevestigd. En zo blijft de beslotenheid dankzij de privileges lang in stand. Wat mij blijft verbazen is dat van deze cultuur zo weinig sporen zijn overgebleven. Waar zijn alle molens gebleven die hier hebben gestaan? Ik heb mijn hoop gericht op het kerkhof van Jezioro, het laagste punt van Polen. Het ligt een halve meter beneden zeeniveau. Dit kerkhof ligt naast de oude Mennonietenkerk die sinds de Tweede Wereldoorlog als schuur wordt gebruikt. Er zijn nog wel oude zerken; hoge zandstenen met krullen aan de zijkant. Het kerkhof is overgroeid en de namen die ik kan ontwaren klinken niet erg Nederlands. Na een paar uur bereik ik de stad Elblag, een oude Hanze stad.

Assimileren of vluchten

Ik loop over het boezemland van de polder Ellerwald naar Wikorow. Je waant je in Nederland. De polder  is vanaf 1565 door Nederlanders drooggelegd en ontgonnen. In Wikorowo staat een van de weinige overgebleven windmolens. Het is een
bovenkruier, die afwijkt van de gangbare Duitse molens. Hij is erg vervallen. Een rechte weg voert dwars door de polder met een verkaveling die ik uit Nederland niet ken. De wegen zijn kaarsrechts, evenals de sloten, maar sloten en wegen staan niet haaks op elkaar. Samen vormen ze een veervormig patroon. Ik vraag me af of de verkaveling nog uit de tijd van de ontginning stamt. Of zou de Stalinistische landbouwcollectivisatie de zaak op zijn kop hebben gegooid. Een voormalige Pools staatslandbouwbedrijf brengt me op die gedachte. De langgerekte roodstenen schuren huisvestte niet zo lang geleden vele varkens. Deze bedrijven voeren de veel zeggende namen Bielnik I, II en III.
De sporen van Mennonieten en hun ontginningswerk zijn vanaf 1772 geleidelijk verdwenen in de Weichseldelta. In dat jaar werd het koninkrijk Polen verdeeld onder Rusland en Pruisen. Dit deel werd Duits. Er was al sprake van een zekere integratie van Mennonieten. Er waren al  Mennonitische liedboeken in het Duits verschenen. De Pruisische soldatenkoning moest niets hebben van dienstweigeraars. Aanvankelijk kon de dienstplicht worden afgekocht, maar later  ontnam hij de Mennonieten het recht op eigen scholen en kerken als ze zich niet aanpasten. Dit leidde tot heftige disputen binnen de Mennonitische gemeenschap. Uit een volkstelling is bekend dat er in 1776 ruim 12 000 Mennonieten van verschillende herkomst in de Weichseldelta woonden. In de dertig jaar daarna is een  groot deel hiervan weggetrokken naar Zuid-Rusland en Siberië, waar ze hartelijk werden ontvangen door tsarina Catherina de Grote. Jaarlijks vertrokken er zo'n tweeduizend Mennonieten in colonnes. Er zijn ook heel wat  gebleven die steeds verder verduitsten. Honderdvijftig jaar later zou deze "inburgerzin" hen opbreken. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog werden alle Duitsers verdreven, dus zij ook. Tienduizend Mennonieten verbleven in vluchtelingenkampen in Duitsland. Een groot deel vestigde zich in Amerika. Daar spreken deze gesloten  gemeenschappen nog steeds het plat-Duits dat ze tijdens de Pruisische overheersing hebben aangeleerd. Hun plaats werd ingenomen door lotgenoten die woonden in dat deel van Polen dat door landjepik tot de Oekraïne, Wit-Rusland en Litouwen werd omgedoopt.

Overlaat en kampen

Het land langs de Nogat, de oostelijke Weichseltak, is veel leger dan de streek langs Jez Drusno. Lange bebouwingslinten, zoals we uit Nederland kennen, ontbreken. Ik neem de pont naar Kepki. Ten noorden van dit gehucht liggen de kampen, de jongste polders in de Nogatdelta. Dit land werd veel later omdijkt in de vorm van vele kleine poldertjes omsloten door rivierarmen. De oudst bekende Nederlandse nederzetting wordt pas in 1650 in oude stukken genoemd. Dit landschap lijkt veel op de Nederlandse naamgenoot, het  Kampereiland, dat in de delta van de Gelderse IJssel. Zou die benaming een gemeenschappelijke achtergrond hebben?
Vanaf Kepna loop ik door een oude overlaat, waar helemaal niet veel bebouwing voorkomt. Sommige huizen liggen nog op een terp. De oude Nogatdijk ligt hier 1-2 km ten westen van de rivier. Die zal ik later volgen. Bij hoogwater kon de rivier op enkele lagere plekken in de dijk de overlaatpolder in stromen. Vanaf Stobna tot de oude dijk loop ik langs een kronkelende oude rivierloop. In Rozewo moet volgens mijn informatie ook een oud kerkhof moet liggen. Via een grasdijkje bereik ik het gehucht dat in de bocht van een oude kreek ligt. Het kerkhof is snel gevonden, maar ook hier ontbreken Nederlandse namen. Desondanks is de omweg de moeite waard. Bij Solnica kom ik op een oude trambaan terecht die ik later nog een keer zal volgen. Tot vijftien jaar geleden was er in dit deel een dichtnet van tramwegen in dit deel van de Weichseldelta. Die zijn nu vervangen door een uitstekend busnet. Even later kom ik op de oude Nogatdijk. Die is hier zwaar getekend door de zeer vele doorbraakgaten. Uit oude verslagen blijkt dat in de zestiende eeuw de dijken soms meerdere malen per jaar doorbraken. Het bestaan moet bijna net zo moeilijk zijn geweest als in de door overstromingen geteisterde Gangesdelta in Bangla Desh nu. De dijkaanleg langs de hoofdrivieren is reeds onder de Duitse Orde ter hand genomen. Veel later dan in Nederland of de omgeving van Bremen waar de dijkaanleg in de tiende eeuw begon. De Mennonieten hebben zich meer beziggehouden met de beteugeling van Jez Drusno en de kleinere rivieren zoals de Tuja en Linawa. Tussen Rakowo en Lubstowo zijn de doorbraakkolken veel groter dan ik tot nu toe heb gezien. Hier is klei afgegraven. Mijn verdere tocht tot Malbork voert langs dorpen die vrijwel allemaal een Mennonitische achtergrond hebben. Een kleiig pad voert me door uitgestrekte graanvelden waar ooit Halbstadt heeft gelegen. Er is niets meer van terug te vinden. Toen de Mennonieten na de  Poolse deling wegtrokken,  verdwenen sommige dorpen. Ook de Nogat is een schim van de woeste rivier die het ooit is geweest. De uiterwaarden zijn verbazend smal. En de uitgebreide lelievelden laten zien dat het water nauwelijks meer stroomt. Eind vorige eeuw is een nieuwe Weichselmond gegraven bij Swibno. Vanaf  die tijd voert de Nogat veel minder water en is zijn tanden kwijt.

Eindelijk graven

In Stogi Malborski ligt mijn laatste hoop op Nederlandse graven. Vanuit de verte zie ik een wit kerkje liggen dat er nieuw uitziet. Dat belooft weinig goeds. Het blijkt een katholieke kerk te zijn. Maar … aan de zijmuur hangt een gedenksteen die de geschiedenis van de Mennonieten samenvat in een bijbeltekst uit Hebreeuwen 13-16: "Wir haben hier kein bleibende Stadt, sondern wir suchen die zukunftige. Die Wohltatigkeit und die Pflege der Gemeinschaft vergesset nicht! Denn an solchen Opfern hat Gott ein Wohlgefallen". De gedenksteen is geschonken door erfgenamen van voormalige Poolse Mennonieten en hun geloofsgenoten in Duitsland, Nederland en Noord-Amerika, de Prussian Mennonite Friendship Association.. En daar achter ligt het kerkhof. Het is vorig maand omheind en schoongemaakt door Polen en Nederlanders uit Aalsmeer en Haarlem. De oude stenen liggen onder imposante iepen en eiken.  En daar liggen ze dan: de van Dijcks, de Harders en de Claassens. Als ik wegloop stopt een Duitse auto met verre nabestaanden. Nog opgewonden bereik ik een uur later Malbork. De machtige burcht van de Duitse Orde ligt met zijn drie wallen aan de andere kant van de rivier. Dit brengt me terug aan het begin van de Nederlandse sporen in het Weichselland: de Hollanders van Pruissisch-Hollandt die door de Ridders van de Duitse Orde uit de Nederlanden werden gehaald.

Tags: 

Peddelen door Amsterdam aan de Weichsel

Trapgevels, bakstenen en een heuse watervesting verwijzen naar de nauwe band tussen Gdansk en de Lage Landen. De Poolse stad is, net als Amsterdam, het mooist vanaf het water

Verschenen in Trouw 6 mei 2017                                                meer foto's

We glippen de stad in door een ‘kattenluikje’ naast de grote sluisdeuren. Vaart maken met de kano, een beetje bijsturen, snel de peddels langszij en het donker in. Best wel eng. Maar al gauw is er weer licht en voert de rivier de Motlawa ons de oude stad in. Gdansk ligt aan de voet van de Kasjoebische heuvels in het laagland van de Weichseldelta. Aan de polderzijde is de stad afgeschermd door vestingwerken met een brede gracht. Op dat water wanen we ons in een Hollandse watervesting als Naarden of Heusden. Zwanen glijden door het water of zoeken voedsel: kont omhoog, kop onder water. Komen we te dichtbij dan zwemmen ze langzaam weg. Geen plek om fanatiek te kanoën, een paar slagen en dan lekker uitdrijven in het herfstzonnetje. Rustig peddelen, dat doen de fietsers ook hoog op de vestingwal. De bakstenen bastions heten hier Zubr (Bizon) en Wilk (Hert). Het is ongelooflijk: ondanks de oprukkende moderniteit reikt de polder nog tot aan de vestinggracht. We hebben zin om achter de leden van kajakclub ‘Zabi Kruk’ het weidse land in te varen, maar nemen toch het kattenluikje. Zonder goede kaart verdwaal je geheid in al de sloten en kanalen. Na een kwartiertje peddelen komen we in het toeristengewoel bij de middeleeuwse Kraanpoort. Alles hier ademt de sfeer van een Hollandse stad.

Een watertaxi scheurt ons voorbij, een kudde rode kano’s dobbert op een groen laken van kroos. Op de kades trekt een stoet dagjesmensen langs de overvolle terrassen. Van zuid naar noord liggen negen stadspoorten langs de Motlawakade, de zogenaamde waterpoorten. De Kraanpoort is de meest spectaculaire. De houten voorwand reikt ver over de kade. In de krochten van de poort liepen mannen als hamsters in een tredmolen om zakken graan in de schepen te takelen. Loodrecht op de kade negen straten die eindigen in landpoorten. Negen rechte straten, negen waterpoorten en negen landpoorten, makkelijker kan een stad het je niet maken om de weg te vinden.

“Proszę”, een vriendelijk suppoost van het Stadhuis schiet toe met helblauwe matjes. We liggen net met onze rug op de tegels van de Rode Zaal om het beschilderde plafond te bestuderen, maar wippen graag weer even op om onze lijven te verwennen. Het werk van Izaak van der Blocke is zo rijk aan details dat je hier niet zo maar weg bent. Hij was een van de schilders en bouwmeesters uit de Lage Landen die glans gaven aan de Gouden Eeuw van de havenstad. Van der Blocke laat de stad ook op het plafond schitteren, haar kerken en waterpoorten staan in volle glorie boven op een triomfboog. Op de voorgrond zien we groepjes burgermannen, allen in het zwart, als gelijken onder elkaar. Het ziet er vertrouwd Amsterdams uit. De Poolse koning had in die tijd net zo weinig over de stad te zeggen als Prins Maurits over de heren van Amsterdam. Ook was de stad niet katholiek zoals de koning maar protestants. Het tweede deel van de plafondschildering verwijst naar de aanvoer van hout, granen en salpeter uit het Poolse achterland, belangrijk voor de Oostzeehandel. Daarvan profiteerde ook de belangrijkste handelspartner, Amsterdam. Het rood/wit/blauw van de Republiek wappert fier op een schip boven ons op het plafond.

Het nazomerlicht doet de trapgevels fonkelen boven het geroezemoes van de Langstraat. De grondtoon is het bruin van baksteen en dakpan. “Die kwamen uit Holland, als ballast voor de schepen die vol Poolse waar teruggingen”, legt onze gids Iza uit. Het zijn vooral de kerken die er baksteen-Hollands uitzien. De woonhuizen daarentegen zijn kleurrijker en uitbundiger dan aan de Amsterdamse grachten. Overal staren je beelden aan en ook de kwast is vaak in de pot met goudverf gedoopt. Tot z’n twintig jaar geleden zat er nog maar bar weinig verf op de muren. Hoe we de stad van toen herinneren, is in sommige achterafstraten nog te zien. Grauwgrijs stucwerk en lange rijen huizen met steeds hetzelfde kozijnritme, resultaat van kordaat opgepakte herbouw in de karige jaren na de Tweede Wereldoorlog. Na de Russische verovering stond nog maar een vijfde van de binnenstad overeind. In een zaaltje naast de Rode Zaal hangt een zwartwit foto van de stad uit 1945. Niets dan puin, alleen een paar muren staan nog overeind. “Zijn die penseelstreken van Blocke op het plafond in de Rode Zaal dan wel echt?” vragen we een beetje teleurgesteld aan Iza. “Ja, hoor, die zijn echt Hollands, het raadhuis met zijn dikke muren bleef overeind”, lacht ze.

Bij het naoorlogse herstel werd niet teruggegrepen op het rijke Duitse verleden van de stad, maar werden de 16de-eeuwse invloeden van de Lage Landen in de gebouwen aangedikt. Er is een Dom Holenderski (Holland huis) maar naar Duitstalige gevelopschriften zul je te vergeefs zoeken. Als je aan mensen in Gdansk vraagt naar hun roots, dan liggen die niet in de havenstad. De grootouders van Iza komen uit Oekraïne. Die van haar man uit Wit-Rusland. Anderen noemen Litouwen en Galicië als het land waar hun familie vandaan komt. In 1945 is de voornamelijk Duitsprekende stadsbevolking verdreven en vervangen door Polen uit gebieden die toen door de Sovjet Unie zijn ingelijfd. Gek gevoel om in een oude stad te lopen waar de bewoners ‘nieuw’ zijn.

“Zullen we nog even langs Lech Walesa peddelen?” We liggen met onze kano in het riet op het punt waar de Motlawa uitstroomt in de brede Weichsel. Rondom fikse zeeschepen en grote kranen om ze van hun lading te verlossen. Even verderop liggen de restanten van de Leninwerf waar de opstand tegen het communistische regime begon. Daar waren we een paar dagen geleden in het gloednieuwe European Solidarity Centre, een imposant gebouw dat als een schip op de helling van de werf lijkt te liggen. Niet alleen vakbondsman met de grote snor houdt daar kantoor, je kunt er ook de val van het arbeidersparadijs herbeleven in een flitsende multimediale tentoonstelling. De werf zelf is behoorlijk onttakeld. Door de poort die Lech Walesa en zijn medestrijders barricadeerden trekken tegenwoordig alleen nog toeristen. Ergens achteraf worden nog wieken van windmolens gebouwd. Zuur dat slechts een fractie van de 7000 arbeiders hier nog aan het werk is. Een hekgolf van een speedboot laat ons bijna kapseizen. Snel zoeken we het stille water van de vestinggracht weer op.

Wandelroutes & achtergrondinformatie Weichseldelta

Algemeen
Wij wandelden door Poolse polders in de Weichseldelta over rustige wegen, paden en dijken langs verschillende Mennonietenkerkhofen. Gdansk is een goed startpunt.

Wandelroutes
Op bovenstaande kaart staan twee recente wandelroutes in de buurt van Nowy Dwor Gdanski en een kanotocht door Gdansk. De routebeschrijvingen van beide wandeltochten zijn hieronder te downloaden.

De volgende ongemarkeerde eendaagse routes vanuit Malbork, Nowy Dwor Gdanski en Elblag zijn ouder en wellicht niet meer actueel. Zij zijn hieronder te downloaden:

  • Wandeling Gronowo Elblaskie – Jezioro - Elblag (25 km, in te korten tot 12 of 20 km)
  • Rondwandeling Malbork - Stogi (12 km)
  • Rondwandeling Nowy Dwor Gdanski - Stawiec (23 km; in te korten tot 13 km door in Stawiec bus te nemen).

Ook loopt er een goed gedocumenteerde en wat minder bewijzerde Jacobsweg door het gebied van Elblag naar Gdansk

Bereikbaarheid
Malbork, Nowy Dwor Elblaski en Elblag zijn goed bereikbaar per trein of bus vanuit Gdansk. De routes zelf is op vele plaatsen te bereiken door een dicht busnet. De website en.e-podroznik.pl  is een goede OV planner (ook als app te downloaden op smartphone).

Horeca
Buiten Elblag, Nowy Dwor Gdanski en Malbork zijn nauwelijks winkels en horeca.

Overnachten
Campings en hotels in Malbork en Elblag. In Nowy Dwor Gdanski is een hotel.

Bezienswaardig
In het Żuławski Park Historyzcny Park (Deltamuseum) in Nowy Dwor is de permanente tentoonstelling "De Poolse Polder" te zien.
De stem van Irma Martens, een afstammeling van mennonieten die nog Plautdietsch klapt kun je bij de VPRO beluisten

Meer informatie
Luister naar het Plautdietsch van Irma Martens
Kaarten: Mapa topograficzna Polski N-34-63/64 (Elblag) is goed verkrijgbaar in boekhandels in Polen
Streekmuseum Nowy Dwor
Informatie Pomerski Verkeersbureau
Unesco World Heritage: Malbork Castle
Global Aanabaptist Mennonite Encyclopedia Online een schat aan historisch materiaal, zoek op plaatsnaam
Historische bronnen over Mennonieten in Weischeldelta
Orlofferfelde Chronik: ooggetuigeverslagen vanuit de Mennonietengemeenschap
Chodyla, Z.  2005. The Dutch contribution to the development of the hydraulic system and cultural landscape i Poland 1547-1945. In: Danner, H.S., J. Renes, B.Toussaint, G.P. van de Ven & F.D. Zeiler (eds.) Polder pioneers: the influence of Dutch engineers on water management in Europe, 1600-2000. Netherlands Geographical Studies 338. Utrecht.
Chodyla, Z.  2006. The essence of Dutch law colonisation. In: Oledry: spaces beside us. Muzeum Narodowe w Poznaniu.
Haftka, M. & M. Mierzwinski. 1996. Malbork: castle of the Teutonic Order. Prisma Verlag Munich, Germany.
Hulschoff, H.Ch. 1938. Bezoekreis van Hendrik Berents Hulshoff aan de doopsgezinden gemeenten der Oud-Vlamingen in Pruisen en Polen in 1719. Bijdragen en mededelingen van het Historisch Genootschap 59: 32-82.
Keijser, E. 1944. De Nederlanden en het Weichselland. Uitgeverij Rutgers, Naarden. Vertaald uit Duits door K. Siersksma.
Klassen, P.J. 1989. A homeland for strangers: an introduction tot Mennonites in Poland and Prussia. Centre for Mennonite Brethern Studies, Fresno, California USA
Ludwig, K.H. 1961. Zur Besiedlung des Weichseldeltas durch Mennonieten: die Siedlungen der Mennoniten im Territorium der Stadt Elbing und in der Oekonomie Marienburg bis zum Uebernahme der Gebiete durch Preussen, 1772. Wissenschaftliche Beitrage zur Geschichte und landeskunde Ost-Mitteleuropas. Johan Gottfried Herder-Institut, Marburg-Lahn, Deutschland.
Polish Maritime Museum. 1997. Poland and the Netherlands: exchanges during the Golden age of Gdansk. Polish Maritime Museum. Gdansk.
Rijs, B. 2005. Het hemels vaderland: Hollanders in Siberie. Atlas, Amsterdam
Starkel, L. 1982. Evolution of the Vistula river valley during the last 15000 years. Geographical Studies Special Issue 1. Polish Academy of Sciences, Warzawa, Poland.
Szper, F. 1913. Nederlandsche nederzettingen in Westpruissen gedurende de Poolsche tijd. Dissertatie Amsterdam. Enkhuizen.

 

 

Klein Holland in Polen

Gdansk ademt met zijn renaissancehuizen de sfeer van Hollandse steden. Ook de nabijgelegen Wisładelta is Hollands. Ooit legden Nederlandse Mennonieten dit gebied droog. Op zoek naar sporen van die Polderwerkers.

Verschenen in Op Lemen Voeten 2008-3

‘Als ik van die steile dijk naar beneden rij, krijg ik meteen een poldergevoel. Dan kom ik thuis in Polen,’ zegt Groningse Elko enthousiast. ’s Avonds op de terp van zijn Poolse schoonouders geniet hij van meeslepende zonsondergangen. ‘Die heb je in Groningen ook, maar hier zijn ze mooier met al die bomen aan de horizon. Dit is de polder van mijn jeugd, van voor de ruilverkaveling. Maar lang zal het zo niet blijven,’ zegt hij gelaten. ‘Kijk hier,’ wijst hij op de kaart, ‘Daar heeft een Hollandse boer zo’n 600 hectaren land gekocht. Het eerste dat hij deed, was de bomen rooien en de sloten rechttrekken. Nu Polen lid is van de EU zullen de kleine boeren het loodje leggen en dan gaan de bomen en de vogels er ook aan,’ voorspelt Elko. Ik vertel over mijn wandelplannen door zijn polder, de Wisładelta bij Gdańsk. Ooit werd dit gebied door Hollandse Mennonieten drooggelegd. Elko weet nog wel een paar plaatsen waar je sporen van die polderwerkers kunt vinden. Met zijn dikke vingers glijdt hij over de kaart en wijst op plekken in het niets. ‘Daar liggen ze begraven,’ glimlacht hij.

Godsdienstvrijheid
Eerst had je Wederdopers en toen Mennonieten. De Wederdopers vormden een rebelse beweging met opmerkelijk beginselen. Ze deelden hun bezittingen, weigerden de eed af te leggen en wezen de kinderdoop af. Mensen mochten pas gedoopt worden als ze goed en kwaad van elkaar konden onderscheiden. De wederdopers werden door het Spaanse gezag vooral vervolgd omdat ze, met getrokken zwaard, Godsrijk op aarde wilden stichten. Later, onder leiding van Menno Simons, zwoeren ze het geweld af en weigerden ze wapens te dragen. Vanaf die tijd noemden Wederdopers zich Mennonieten. Maar daarmee kwam aan hun vervolging geen einde. Halverwege de zestiende eeuw vluchtten veel Nederlandse Mennonieten naar Gdańsk, de stad waar Hollanders al jaren handel dreven. De Poolse vorst verleende hen vrijheid van godsdienst en nog een paar andere privileges. In ruil daarvoor moesten ze wel de Wisładelta omtoveren in cultuurland. De Mennonieten trokken het zompige land in, groeven sloten en bouwden dijken. Al snel haalden ze recordoogsten binnen, alles tot grote tevredenheid van de koning. Heel lang bleven ze preken en zingen uit Nederlandse bijbels en gezangboeken. Eind achttiende eeuw werd Duits de kerktaal. De Delta was inmiddels in Pruisische handen gekomen en uiteindelijk voelden de Mennonieten zich ook Duitsers. Net als alle andere Duitsers in de delta werden ze aan het eind van de Tweede Wereldoorlog door de Russen verdreven naar het westen.

Juf

Elko raadt me aan om naar het museum van Nowy Dwór Gdański te gaan. Daar in het hart van de delta weten ze volgens hem alles over de Mennonieten. Dat doe ik. Bij de ingang van het museum hangen vrolijke kindertekeningen: rode puntdaken met schoorstenen erbovenuit, rijen groene wilgen langs blauwe sloten, zwart gestippelde koeien op sappige weiden. En dan heb je nog de ooievaars, heel veel ooievaars. Ze horen er echt bij. Op elk huis kleppert er minstens één. ‘Nee, dit is niet het museum,’ zegt een verbaasde juf. Ze wijst naar een oud gebouw. 

De gids van het streekmuseumpje is een aardig meisje met stralende ogen, maar Engels of Duits spreekt ze niet. ‘Menonicki,’ probeer ik. ‘ Menno Simons,’ zegt ze opgelucht terwijl ze naar een pentekening wijst. De prediker uit het Friese Witmarsum kijkt me vanaf de muur streng aan. Meer over Mennonieten lijkt er niet te zijn. Ze begint aan een rondleiding langs wasborden, strijkmachines en oude radio’s. Bij het zien van een paar ‘Friese doorlopers’, doe ik mijn armen op de rug en klap een been uit. ‘Kan jij ook schaatsen,’ gebaar ik. ‘Nee,’ schudt ze verlegen. In de hoek staan een paar foto’s met Hollandse tulpenvelden. ‘Hoe komen die hier,’ denk ik en kijk de gids vragend aan. Ze haalt  haar schouders op en spreidt haar armen in een gebaar van: ‘dat weet ik niet.’  Dan wenkt ze me haar te volgen.  Even later staan we in een schuur met een schat aan mennonietenzerken. Het zijn smalle stenen platen van soms wel 2,5 meter hoog. Op de ene kant van de plaat zijn teksten uit het Heilige Geschrift gebeiteld, op de andere persoonsgegevens.

Oormerken

Op mijn detailkaart van de delta staan, met hoge zwarte zerken, de begraafplaatsen van de Mennonieten aangegeven. Ik tel er zo’n vijfentwintig. De eerste die ik wil bezoeken ligt in de buurt van Rozewa, op ruim een uur lopen van Nowy Dwór Gdański. De wilgen langs de landweg reiken tot in de hemel. De sloten staan vol riet en struiken. Een plicht tot opschonen hebben de boeren niet, lijkt het. Hun boerderijen staan op kussentjes, net hoog genoeg om droge voeten te houden. In een geur van hooi en mest scharrelen kippen en eenden rond op het erf. Friese koeien lopen een eindje in mijn richting. Schudden hun koppen en kijken me verbaasd aan. ‘Helemaal op zijn Hollands,’ denk ik, maar toch klopt er iets niet. Het duurt even, maar dan zie ik het: boven gele oormerken steken puntige horentjes uit hun koppen. Die mogen hier nog groeien. Het land kleurt niet alleen naar het groen van sappige weiden, maar ook naar het geel van uitgestrekte korenvelden. Torenvalken hangen er vol engelengeduld boven. Mannen met ontblote bovenlijven steken grote balen omhoog naar hun maatjes op de hooiwagens. Elders kruipen combines als grote insecten door de velden. Gek land dit stukje Polen met zijn mix van kleine boerderijen en enorme, inmiddels geprivatiseerde, staatsbedrijven.

Rusland

Even voorbij zo’n voormalige volksboerderij staan statige eiken eenzaam in het korenveld. Onder de bomen steken zerken voorzichtig boven hoog opgeschoten brandnetels uit. In lange broek en met de blote armen omhoog schuifel ik door de netels naar de grafstenen. De namen op de zerken zijn maar moeilijk te lezen. Hollandse namen herken ik niet. Een tekst op zwart graniet is nog wel goed te volgen, maar het hele verhaal lezen, kan niet. In de loop van de tijd zijn wat zinnen onder het maaiveld gezakt. Dat irriteert. Ik ga graven. Het blijkt een ode van de Kirchengemeinde in Rosenort aan de Mennonieten die in 1794 van hier naar Rusland trokken. Toen eind achttiende eeuw het koninkrijk Pruisen de delta in handen kreeg, was het gedaan met de uitzonderingspositie van de Mennonieten. Ze konden door het Pruisische gezag weer onder de wapenen geroepen worden. Een grote groep hield het voor gezien en trok naar de Dnjepr in Rusland. Daar schonk keizerin Katharina II hen, onder waarborg van godsdienstvrijheid, woest land om in cultuur te brengen.

 Bij Orłowa, even ten zuiden van Nowy Dwór Gdański, moet ook een begraafplaats liggen. ‘Cmentarz menonicki,’ vraag ik aan vier blonde jongentjes. ‘Daar,’ wijzen ze alle vier vastberaden. Het is weer zo’n eenzaam plukje groen. ‘My name Jerzy,’ zegt de oudste en stelt de anderen voor als David, Markus en Janusz. Ze loodsen me via een smal paadje naar het hart van de begraafplaats. Daar onder de hoge bomen ligt hun jongensland:  een zwart geblakerde vuurplaats met daar omheen, twee keurige cirkels van steen. De één om het vuur in bedwang te houden, de ander om op te zitten. De tengere Janusz, de jongste van het stel, rent naar een kleine zerk. Daaronder ligt een van Dijck, maar de letters zijn zo vaag dat ik er geen eed op zou willen afleggen.

Laagste punt

Vlakbij het laagste punt van Polen (-1.80 meter) stappen ooievaars parmantig over de kluiten van pas geploegd land. Met lome vleugelslagen vliegt er één terug naar zijn nest boven op het dak van een oude vakwerkboerderij. Het is zo’n prachtige hoeve waarvan het woonhuis deels rust op houten kolommen, versierd met fraai houtsnijwerk. Deze staat er mooi bij, maar veel andere juweeltjes van boerderijen worden alleen nog door wat roestige spijkers op de been gehouden. Niet ver van stoomgemaal en ophaalbrug staan onder een paar stevige eiken een hele verzameling zerken. De opschriften bezorgen me een kortstondige trilling, duidelijk is te lezen dat hier de Klaassens en de Dirksens begraven liggen. Een energieke lerares uit Markusy heeft met haar schoolkinderen de begraafplaats schoon gemaakt. Twee foto’s laat ze me zien. De ene is gevuld met ondoordringbaar kreupelhout. Op de andere, van na de schoonmaak, staan kinderen in fleurige kleren tussen hoge statige zerken. De lerares legt een papier op tafel waarop alle graven nauwkeurig in kaart zijn gebracht door leden van de Doopsgezinde Gemeente uit Aalsmeer. Nog zo’n opgeknapte begraafplaats vind ik later in Stogi, dichtbij de imposante ridderburcht van Malborg.

Nostalgie

‘Ruim een derde van de dingen uit mijn boek bestaan niet meer,’ verzucht fotograaf Marek Opitz. We bladeren door zijn fotoboek over de delta. De Hollandse molen ging twee jaar geleden in vlammen op. Veel van de oude boerderijen zijn in elkaar gestort. ‘Deze zeker ook,’ zeg ik, terwijl ik een foto aanwijs met een boerderij vol gaten in de houten wanden. ‘Zou kunnen, maar de bewoners hadden goede hoop, want er nestelden ooievaars op hun dak.’ Trots toont Marek zijn foto’s die hij in Holland maakte voor de tentoonstelling Inspiracje Niderlandami. Zijn Hollandse kanalen, sloten, molens, dorpen en boerderijen waren een tijdje geleden te zien in het streekmuseum. Als ik vraag of die foto met Hollandse tulpen in het museum ook van hem is,  knikt Marek lachend van ja. ‘Groeien hier ook tulpen,’ wil ik weten. ‘In het noorden, achter de duinen,’ wijst hij op de kaart.