De Borinage

Het Sentier des Terrils is een lange afstandspad door de voormalige kolenbekkens van België. De GR 412 voert je langs imposante restanten van de industriële revolutie, maar ook door troosteloze lintbebouwing. Steeds weer, als de grauwheid en rommel je in die straten naar de strot grijpt, is er de verademing van het vergezicht boven op een terril. Gelukkig is de Borinage, de mijnstreek rond Mons, bezaaid met deze mijnsteenbergen.

Meer fotos

Laten we het maar meteen bekennen, wij zijn gek op industriële bouwsels die aan hun lot zijn overgelaten. Voor wie die neiging heeft, is de Borinage met zijn vervallen kolenmijnen, hoogovens en spoorlijnen een fantastisch gebied om te wandelen. Begrijp ons goed: wij vinden dat er gerestaureerd moet worden en dat doen de Walen gelukkig ook. Zo bezoeken we Le Grand-Hornu, een voormalig mijncomplex, in de buurt van Mons.  Daar staan rijen mijnwerkerswoningen rond een ovaal fabrieksgebouw. Het oogt als een Romeins stadion voor wagenrennen. Op het binnenterrein rollen geen vierspannen maar spelende kinderen over het gras. Na een indrukwekkende restauratie is hier het  Museum voor Hedendaagse Kunst  gehuisvest. Toch komt voor ons het verleden van de Borinage pas echt tot leven in zijn zwartgeblakerde en half overwoekerde gebouwen. Met een beetje fantasie ruik je er nog het zweet van de mijnwerkers en zie je hun beroete gezichten. We lopen er langs gebouwen waar struikjes uit de muur groeien en kale trappen omhoog voeren naar, ja waarheen eigenlijk? Wat daar precies gebeurde, is niet altijd even duidelijk.

Mordor
Ooit was de Belgische Borinage een streek met zacht glooiende korenvelden waar louter Waals werd gesproken. Nu is het er heel anders. Het lijkt wel Tolkiens land Mordor, maar dan niet met één maar een hele rits Doembergen. Voor wie niet beter weet, is het alsof die heuvels er sinds de schepping al lagen. Pas toen er steenkool onder het koren vandaan werd gehaald, veranderde het glooiende land in een heus berglandschap gemaakt van afval uit de mijnen. De bergen laten zien waar de mijntorens ooit stonden. In de vlakte regen dorpen zich aaneen tot grauwe steden. En in het Waalse koor gingen andere talen meezingen. De mijnwerkers kwamen uit heel Europa en vooral  uit Italië, onder wie de ouders van de huidige premier van België: Elio Di Rupo. Vanaf een mijnsteenberg kijken we uit over Mons waar hij al tien jaar burgemeester is. Het carillon van het Belfort steekt hoog boven de middeleeuwse stad uit. Over de glimmende kasseien lopen we vanaf de voet van de berg de stad in opzoek naar La Table des Matières, het favoriete Italiaanse restaurant van Di Rupo. Helaas, La Table is duister als de nacht. Het wordt een lekkere Marokkaan op de hoek van de straat.

Zieke grond
Het wandelpad van Lille naar Luik volgt een lange keten van terrils zoals de Walen hun eigen schepping van mijnsteenbergen noemen. Zoiets als wat polders voor de Hollanders zijn, zou je zeggen. Maar in het Noordfrans betekent terre-il letterlijk zieke grond. Heel andere koek dan de vruchtbare velden die hun noorderburen op het water wonnen. Op de nutteloze stenen uit de mijngangen groeide tientallen jaren niets. Het mijnstof  dat er vanaf waaide vergiftigde de longen, zelfs van diegenen die nooit ondergronds waren geweest. Uit sommige heuvels walmt nog rook, vijftig jaar nadat de laatste steen er op is gestort. De druk van de berg en het hoge pyrietgehalte van de steenkoolresten zorgen er voor dat de kolen ondergronds beginnen te smeulen. Vroeger waren het naakte steenhopen die dreigend boven de stad uitstaken. Inmiddels zijn ze bedekt met het frisse groen van berkenbomen. In tegenstelling tot de steenkoolgebieden van het Rurhgebied en Zuid-Limburg zijn de bergen niet opgeruimd of hergebruikt. In de winter, zonder loof, staan de witte stammetjes als naalden gestoken in een zwart kussen van gruis. Dan lijken de terrils wel stekelvarkens. Toen de heuvels nog kaal waren roetsjten kinderen er naar beneden op hun zelfgemaakte sleetjes van blik. De jeugd komt nog steeds op de mijnsteenberg, maar niet om te sleeën. Hoog te paard galopperen meisjes door het berkenbos. Op de vlucht voor het aanstormende geweld zoeken we dekking achter een paar boompjes

Glimmende doos
Vlakbij de ruïnes van een kolenmijn schoppen jongens tegen een bal. De keeper staat niet voor een garagedeur of tussen een paar slordig neergeplofte jassen, nee hij verdedigt het zwarte gat van een tunnel onder een verlaten spoorlijn. Straten  met vervallen arbeidershuisjes rijgen zich aaneen. Met hun rolluiken en gesloten gordijnen ogen ze naar binnen gekeerd. Het is crisis in de Borinage, dat is ondanks de steriele witte villa’s goed zichtbaar. Achter de grauwstenen huizen steekt een grote glimmende doos uit. De nieuwe scheepslift in het Canal du Midi torent wel honderd meter boven de daken uit. Aan een slonzige man met hond vragen we of het  kanaal drukbevaren wordt. “Ja zeker, de scheepvaart is in tien jaar tijd verdubbeld”. Toch zien we geen enkel vaartuig rond dit reusachtige bouwwerk van beton en staal. De vuistdikke kabels bewegen niet. Ze kunnen schepen in kolossale bakken met water wel 75 meter omhoog hijsen. Een imposante scheepslift dat is zeker, maar veel gebruikt wordt de lift niet. Het is een van die grote nutteloze werken om de oude mijnstreek van Wallonië weer aan de praat te krijgen, eerder een fantastische uitkijktoren dan een banenmotor. De Borinage wacht nog steeds op een betere toekomst. De zoveelste hagelbui is net overgetrokken. Het asfalt blinkt en de zon steekt scherp door de zwarte wolken.

Valbijl
In Bois du Luc staan de schachttorens nog overeind met aan de voet rijen gele huizen keurig  in het gelid. In dit modeldorp woonden de mijnwerkers en zetbazen. De goede voorzieningen lokten rondtrekkende landarbeiders naar een vaste stek bij de mijn. Te vaak kwamen ze alleen werken als er op het land even niet veel te doen was. Het dorp kent een heuse allee met aan beide zijden een dubbele bomenrij. Deze leidt naar het landhuis waar de eigenaar van de mijn woonde. Zo kon de baas zijn werknemers goed in de gaten houden. Als zijn arbeiders weer eens staakten en de zaak helemaal uit de hand dreigde te lopen, had de eigenaar een laatste redmiddel om zijn kostbare machines veilig te stellen. Dan liet hij een enorme valbijl neer. Deze  guillotine hangt nog steeds boven  de ingang. We moeten denken aan de beroemde film uit 1934 van onze Joris Ivens: ‘Misère au Borinage’ over de mijnwerkersstakingen in Wallonië.