Het Oldambt

 

Waar moet je heen in een land zonder woeste bergen en donkere wouden? Het Oldambt levert het antwoord. In die uithoek van Oost-Groningen vind je eindeloos land en brede horizonten. De weersvoorspelling voor dit wandelweekend klinkt onheilspellend: hagel, sneeuw, onweer en felle wind. Weer dat past bij een grimmig stukje Nederland.

 


 

Verschenen in Noorderbreedte 2002-5

Finsterwolde lijkt één lang gerekte straat met krappe arbeiderswoningen, in felrode baksteen. Maar dan ineens wijken die kleine huisjes voor grote stijlvolle boerderijen. Sommigen half verscholen achter bomen, alsof de bewoners zich schamen voor hun rijkdom. Op de vlucht voor aanrollende zwarte wolken stappen we nog even een behaaglijk warme supermarkt in. De eigenaar, in witte stofjas, weet waar logement Hommes ligt, een rood nest waar ooit opstandige landarbeiders plannen beraamden tegen graanbaronnen. Het prachtig geschreven boek van Frank Westerman "De graanrepubliek", over de landbouwgeschiedenis van deze streek, kun je niet lezen zonder naar een blik op dit logement te verlangen. Maar Hommes is Hommes niet meer. Het is een werkplaats voor het fijne timmerwerk. Achter de ramen waar ooit de revolutie werd gepredikt, staan nu kerkorgels te wachten op restauratie. We trekken de jas nog wat dichter om ons heen en stappen in een hagelbui door de rechte dorpsstraat richting begraafplaats. Daar moet, vertelde de man in stofjas, een monumentje staan voor een communist die tijdens een staking werd dood geschoten door de politie. Op het kerkhof drukken boomwortels statige zerken gevaarlijk schuin voorover. Om die te lezen moet je door de knieën. Het monmentje van de communist vinden we niet. Later lezen we er Westerman nog eens op na. De man heette Eltjo Siemens. Het symbool van de Groningse landarbeiderstrijd was geen staker maar een groenteventer. Hij werd door een verdwaalde politiekogel in de maag getroffen. De staking van 1929 begon met een eis tot loonsverhoging van drie cent per uur, maar die weigerden de herenboeren te betalen. Het werd hard tegen hard. De graanbaronnen haalden Zuid-Hollandse tuinarbeiders om de oogst toch binnen te halen.

Kleine drolletjes
Een brede asfaltweg voert vanuit de bebouwing naar een weids akkerland, waar zonnestralen de wolken steeds verder openscheuren. We laten het asfalt voor wat het is en slaan linksaf een schouwpad in. Drainagepijpen spuwen water in diepe smalle sloten en uit de schoorsteen van de grasfabriek, die eenzaam in het wijde land staat te roken, komt de geur van stroop. Ze maken er van die kleine drolletjes die we thuis in Amsterdam aan onze poezen voeren. In de verte staan donkere figuren roerloos op het land. Ze moeten ganzen uit het veld houden, maar veel helpt het allemaal niet. Alleen als wij dichterbij komen gaan ze op de wieken om een paar honderd meter verderop weer te landen. Een nieuwe hagelbui onttrekt Finsterwolde aan het zicht en even later vliegt de hagel weer rond de oren. Wij trekken de ijsmuts verder omlaag en buigen voorover. Tien minuten duurt het, dan kaatst het zonlicht weer terug van de gevallen hagelstenen.

Hongerige Wolf
Het rechte schouwpad komt uit op een gebogen weggetje. Daar staan een paar monumentale Oldambtster boerderijen er haveloos bij. De ruggengraat van het lange dak van één van de immense graanschuren is geknakt. Honden blaffen nerveus vanuit de bouwval. De boer en de boerin wonen buiten op de oprijlaan, in een caravan. Ze zwaaien, wij zwaaien terug. Bij het gehucht Hongerige Wolf gaan we de Egyptische dijk op. Het moet ooit een strakke rechte zeedijk geweest zijn, maar is nu op sommige plaatsen als een pudding ingezakt. Waar heeft die dijk eigelijk zijn naam aan te danken? We vragen het aan een man op klompen. Hij weet het niet, maar zijn buurman zei ooit dat er een Egyptische munt is gevonden. Hongerige wolf, die andere poëtische naam, heeft volgens die zelfde buurman zijn naam te danken aan de waterwolf. Even verder komen we in Drieborg, ook een gehucht. Het ontleent zijn naam aan de samenkomst van drie dijken. Het Oldambt telt veel meer dijken. Het is een gebied waar je van dijk naar dijk loopt. Vanaf 1300 viel het Oldambt ten prooi aan de zee. Hele dorpen verdwenen in de golven. De dikke veenlaag was ingeklonken en de dijken waren te zwak om het land bij hevige stormvloeden droog te houden. Pas in de zestiende eeuw begon men weer stapje voor stapje het verloren land terug te winnen. Van Finsterwolde tot aan de Dollard lagen ooit een rits dijken. Een paar jaar geleden probeerden we ze terug te vinden. De oudste dijk lag er niet meer. Alleen wat kolken, resten van dijkdoorbraken, markeerden de plaats waar hij had gelegen. De tweede dijk, één polder verderop, was vrijwel vlak geploegd, niet veel meer dan een flauwe hobbel in het land. Dijk nummer drie lag erbij als een bobbeldijk. De kruin van dijk vier stak rafelig af bij de strakke streep van de zeedijk verderop. Alleen de laatste twee dijken lagen nog echt dijk te wezen. De een als slaper en de ander als delta hoge dijk. Het eilandje Monnikenveen, dat ooit boven het akkerland uitstak, zagen we niet meer: voor goed in de vette klei verdwenen.

Gat in slaperdijk
In het dorpshuis van Drieborg hangen de kapstokken vol winterse jassen. Toneelvereniging de Drie Börgen speelt er voor de bejaarden het stuk Gain Piet, moar pizza. Onder de toeschouwers moeten nog stakers zijn uit 1929 en misschien zelfs een enkele bejaarde graanbaron. Op het mooie rechte weggetje van Drieborg naar de Dollard bij Nieuwe Statenzijl, snijdt de wind in het gezicht. De langste onder ons neemt de kop. De anderen imiteren de V-formatie van de ganzen boven ons. We verlangen naar het Zijl, daar kunnen we de wind weer de rug toekeren. De toegang tot de Johannes Kerkhovenpolder is een gat in de slaperdijk. Waar zijn de palen die bij dijkdoorbraak het gat moeten dichten? Vroeger lagen ze binnen handbereik in een houten huisje. Vreemd eigenlijk zo’n gat. De dijk moet, denken we, een obstakel geweest zijn voor zwaar beladen wagens. We proberen ons voor te stellen hoe in oogsttijd de wielen op de met modder besmeurde helling dol draaiden.

Blauwe Stad
Als we over de kruin van de Dollarddijk kijken, ligt de havenstad Emden scherp op de horizon en blinken schuimkopjes in de zon. Een vogelkijkhut staat op kwelderland tussen glanzend geel riet. Het is eb. Water licht op in donkere slikgeulen. Het gemaal van Nieuwe Statenzijl spuit met grote kracht een dikke straal water de Dollard in. Onze wandelroute gaat verder over de dijk langs de Westerwoldse Aa naar Nieuweschans, het einddoel van de wandeling. Windturbines steken hoog uit boven het vlakke land. Rechts aan de overkant van het water flitsen de lampen aan van het gasexportstation. Dat doen even later ook de lichten van het Duitse importstation, links van de dijk. Als de vierkante silotoren van Nieuweschans inzicht komt, jagen donderslag en hagel ons van de dijk. In Nieuweschans nemen we een kamer in familiehotel de Leeuwerik tegenover het station. Daar bij het station, nu niet veel meer dan een verhoogd trottoir met wat glazen abri’s, werden in 1926 de Zuid-Hollandse stakingsbrekers onder boegeroep ontvangen. Tegenwoordig zijn het geen stakingsbrekers maar 55-plussers met een riant inkomen die naar het Oldambt worden gelokt. De Blauwe Stad, zo heet de plek waar hun villa’s aan het water komen te staan, moet nog gebouwd worden . Water is er nog niet. De polders moeten nog ontpolderd worden.