De vlucht van een katoendrukker uit de Drôme

Eind zeventiende eeuw vluchtten zo’n 200.000 Franse Hugenoten naar protestantse gebieden in het noorden. Een langeafstandspad volgt hun vluchtsporen van de Drôme via Geneve en Schaffhausen naar het Duitse Bad Karlshafen aan de Weser.

Meer foto's         Verschenen in Wandelmagazine 2018-3

Hmm … Nog even genieten van la douce France voordat de Thalys mij weer naar Amsterdam terug flitst. Een grand café met een pain au chocolat; wat is het leven hier goed. De ochtend op het kerkplein van het provinciestadje Die is nog knisperfris, de markt wordt opgebouwd. De plompe kathedraal Notre-Dame steekt boven de breed uitbladerende platanen. Straks is het weer snikheet zoals de hele wandelweek. Fransen vullen het terras; er wordt heel wat afgekust. Een rondbuikige man zet zijn racefiets tegen een boom. Een van de vele noorderlingen die afgelopen decennia hier zijn neergestreken om te genieten van datgene wat Noordwest-Europa ontbeert.

“Zou hij geweten hebben waar hij aan begon”, mijmer ik over mijn verre voorvader, die in 1703 via Geneve aankwam in de stad aan de Amstel waar ik woon. Op de vlucht voor de terreur van de Zonnekoning tegen zijn protestantse geloofsgenoten. “Was-ie maar hier gebleven, dan woonde ik in dit paradijsje.” De afgelopen week heb ik weer veel met David opgetrokken. Mijn tocht begon in het petieterige dorpje Bouvières; daar komt hij vandaan. Je vraagt je af wat een katoendrukker in deze negorij deed. Het lege café is binnen vijf minuten gevuld met zes mannen en een vrouw, zo maar uit het niets. Nee, een Farjon woont hier niet, daarvoor moet je aan de andere kant van de Rhône zijn, in de Ardèche. Van Bouvières loop ik naar Le Poët-Laval, het startpunt van het langeafstandspad Sur les Pas des Hugenots. Dat volg ik vijf dagen naar dit heerlijke plein. Grotendeels samen met mensen die het pad hebben ontwikkeld: Johannes Melsen, hier volgens zijn Brusselse komaf Wannes genoemd, zijn Zwitserse vrouw Barbara en Jean-Jacques, oud-voorzitter van de VVV.

Wolken vlinders

Het uitzicht op het hoogste punt van de tocht, op Sommet de la Plaine, is fantastisch. Naar het noorden kijk je over het brede dal van de Drôme naar het hoge kalkplateau van de Vercors. In het zuidwesten steken Les Trois Becs omhoog, drie kalkrotsen aan het uiteinde van de enorme gesteenteplooi die het mysterieuze bos van Saou omsluiten. Daar kun je de gems en steenarend tegenkomen. In het zuiden ligt de scherpe inkeping van de Col de la Chaudière, waarover later meer.

Een jachtopziener staat spiedend naast zijn terreinwagen en wijst op mijn wandelstok. “Ik zou maar oppassen met dat wapen. Verderop loopt een herdershond. Die is heel gevoelig voor die dingen. Ga er maar met een wijde bocht omheen.” Het valt allemaal erg mee. Alles bij elkaar kom ik twee keer een kudde tegen, beide met een makke hond. Dat was wel anders toen David hier liep. Alle hellingen waren kort gevreten door het vee. Nu lopen we lange stukken door sparren-, eiken- en haagbeukenbos afgewisseld met weitjes vol gele brem, geurende wilde lavendel en roze lathyrus. Wolken vlinders dansen om ons heen. David zou verbaasd hebben gestaan van de metamorfose van zijn thuisland.

“In dat klooster daar beneden hoorde ik voor het eerst verhalen over de massale vlucht ”, vertelt Wannes, een reus met lange manen en volle bakkebaarden. Zijn handen zijn constant in beweging. We zitten in de lommerrijke domineestuin van het middeleeuwse dorpje Le Poët-Laval. “Ik gaf daar een training als lid van een kunstenaarscollectief uit Leuven. Een links collectief, zo was dat in die tijd”. Voordat het te heet wordt lopen we door stille stegen en langs een robuuste kasteeltoren de velden in. Het beeldmerk van het Hugenotenpad, een mannetje met een brede steek en een stok in zijn hand, wijst ons de weg.

Un peu de mayonnaise

“Pas jaren later ging het verhaal pas echt goed leven”, gaat Wannes verder achter mijn rug. Ik had me hier gevestigd en deed in het Duitse Marburg, een stadje ten noorden van Frankfurt, iets aan promotie van de clairette, de tintelfrisse spuitwijn van hier. Rond deze stad lagen dorpen, zoals Louisendorf, die eind zeventiende eeuw waren gesticht door Hugenoten uit de Drôme. Ik wist niet wat ik hoorde.” Duitse vorsten waren heel tuk op nieuwe bewoners van hun grondgebied, dat was ontvolkt door de bloederige Dertigjarige oorlog. Ook in Brandenburg, Baden-Wurtemberg en in de omgeving van Kassel zijn Hugenotendorpen gesticht. Zelfs driehonderd jaar later waren die dorpen nog zo Frans, dat de Duitse keizer hier geen Franse krijgsgevangen durfde onder te brengen. “Toen ben ik met dit prachtige erfgoedverhaal aan de slag gegaan. Ik ben iemand die vragen stelt en mensen bij elkaar brengt.” Meestal zijn dat culturele projecten.

Onderweg belt hij om de opvoering van zijn komische opera op een kasteeltje bij Bourdeaux vlot te trekken. Hij legde contact met de specialist op het gebied van de protestantse geschiedenis in Frankrijk, de hooggeleerde Pierre Bolle van de universiteit van Grenoble. “Die stuurde me naar huis met een stapel historisch materiaal”, lacht hij gul. “Daarna begon het taaie werk om met die kennis allerlei instanties in drie landen en op verschillende bestuurlijke niveaus enthousiast te maken voor een wandelroute. Zoals Jean-Jacques het zo prachtig zegt: “Ça prend un peu de mayonnaise.” “En het heeft echt geholpen dat Wannes zijn hele schoolcarrière bij de Jezuïeten heeft doorgebracht”, vult Barbera aan. Er leefde nog best wat reserve. “Bij protestanten het sentiment: ‘en nu zul je zien dat die katholieken geld gaan verdienen aan het verhaal van ons lijden toen’”, vertelt Jean-Jacques met smaak. Onder katholieken moest voorkomen worden dat het pad werd gezien als een protestantse versie van de Camino. “We hebben het pad altijd gepromoot als cultureel erfgoed dat bijdraagt aan de economie van de streek”, glundert Johannes olijk.

Op een kruispunt staan twee bordjes die naar een gebedshuis verwijzen. De Chemin de l’ Eglise voert naar boven, naar het Romaanse kerkje van Comps, dat majestueus midden in de velden staat. Het interieur kent geen tierelantijnen, een Mariabeeld daargelaten. De soberheid van dat kerkje zien we terug in de Ruelle du Temple waar de voormalige protestantse kerk nederig tussen de huizen staat. De Fransen noemen dat een tempel. Nadat Calvijn vanaf 1528 in Geneve ging preken vonden zijn opvattingen in de nabijgelegen Drôme snel weerklank en kregen veel steden en dorpen in de streek twee gebedshuizen. Dat veranderde rigoureus in 1685, toen de Zonnekoning de relatieve vrijheid van de Hugenoten, die met het Edict van Nantes was bezegeld, herriep. Alle tempels werden met de grond gelijkgemaakt en een Hugenoot had drie keuzes: bekeren tot het enige ware geloof, opsluiting of vluchten.

En désert

De forse beuken van het Bois de la Vache laten slechts weinig licht door. Een ideale plek om dingen te doen die het daglicht niet verdragen. In het bos staat een soort natuurlijk altaar van kalksteenrotsen. “Dit was een plek was waar de in naam bekeerde Hugenoten ‘s avonds bij elkaar kwamen voor de preek en désert’’, vertelt Wannes. In Nederland noemen we ‘een preek in de woestijn’ een hagenpreek. “Je moet goed bedenken dat niet iedereen kon vluchten”, gaat Wannes verder. “Vooral mensen zonder geld of met geld dat vast zat in onroerend goed, grond of een kasteel, bleven. Net als de Syriërs nu had je veel geld nodig om de lange ongewisse reis te ondernemen. Dus waren het vooral ambachtslieden en vrije beroepen, zoals dokter of notaris, die een beter leven in het noorden zochten.” Zo’n preek en désert was niet zonder risico. Als de soldaten je betrapte, werd je geboeid weggevoerd. De mannen naar de galeien, de vrouwen naar de imposante gevangenentoren van Crest. Predikanten die hing men zonder pardon meteen op.

De hele maand juni heeft de zon de hellingen van Col de la Chaudière geblakerd. De pas ligt ingeklemd tussen les Trois Becs en Le Grand Delmas. Alleen de bronnetjes onderweg zorgen voor verkoeling. “Je kunt je bijna niet voorstellen dat hier ’s winters de ijskoude wind de sneeuw in witte hopen blaast”, verzucht Jean-Jacques. “Het is een kwelling geweest voor de vluchters. Heel wat vroren hier vast.” Minstens zo gevaarlijk waren de struikrovers en de soldaten van de koning. “De vluchtelingen reisden in grote groepen, vooral op marktdagen als er al veel volk op de been was”, verhaalt Barbara. “In elk dal sprak men een ander dialect, dus je viel meteen op.” Dan waren er nog de woest stromende rivieren. Als ik aan het einde van mijn hete tocht in het verkwikkende water van de Drôme plons, kan ik me bijna niet voorstellen dat snelstromende rivieren toen hindernissen waren zoals de Middellandse Zee nu. “Een groep van honderd Hugenoten verzopen in de Zwitserse rivier de Aare in een trekschuit die 25 mensen kon vervoeren. Kun je je dat voorstellen?”, vraagt Wannes vol huivering.

Bidonvilles

Hoe anders is de houding in de Drôme naar andere culturen nu. “Binnenkort komt er een Syrisch gezin naar ons dorp”, zegt Jean-Jacques trots. Regelmatig hoor ik dat de Drôme in tegenstelling tot de nabijgelegen Provence een pays d’ acceuil is, een land waar je gastvrij wordt ontvangen. En van spanningen door de toevloed van de vele noordelingen is in tegenstelling tot de Ardèche nooit sprake geweest.

En hoe was de stemming in Amsterdam toen mijn David daar arriveerde? De geest van Merkel waarde er rond. Voor de nieuwkomers waren er vrijstellingen van belastingen, gildegelden en deelname aan milities. Met crowd funding werden behoorlijk veel florijnen binnengehaald om de geloofsverdrevenen op weg te helpen. De Republiek wierf zelfs actief Hugenoten uit de textielnijverheid om de terugvallende economie op te peppen. Of David, die als katoendrukker werd ingeschreven in de Waalse kerk, zoals historisch onderzoek laat zien een herstartkapitaal en een bedrijfspand toegewezen kreeg, weet ik niet. Wel dat er een gravure van zijn buitenplaats De Catoenboom aan de Amstel in het Rijksmuseum hangt. Ook dat het bedrijf al snel het loodje legde; de volgende generaties glijden al snel af naar beroepen zoals askarman en wonen in de bidonvilles van Amsterdam: tussen warmoezerijen, vuilstorten en begraafplaatsen net buiten de stadswallen bij de Jordaan.

Praktische informatie

Het langeafstandspad Sur les pas des Hugenots is 1600 km lang en voert vanaf Le Poët-Laval in de Franse Drôme naar het Duitse Bad Karlshafen aan de Weser. Het pad is bewegwijzerd en uitstekend gedocumenteerd met kaarten, routebeschrijvingen en gps tracks op www.surlespasdeshuguenots.eu/nl/  Bovendien goede informatie over overnachten in gîtes, hotels en campings.

De beste maanden voor een bezoek zijn mei, juni, september en oktober. ’s Zomers is het erg heet.

Het Franse deel is zeer goed bereikbaar per hogesnelheidstrein via Parijs. Aansluitend bus en/of treinvervoer naar grotere etappeplaatsen van het Franse deel zoals Le Poët-Laval, Die en Grenoble.

Meer over de geschiedenis van de Hugenoten in het Musée du Protestantisme dauphinois in Le Poët-Laval: www.museeduprotestantismedauphinois.com