Sporen van Hollands geld en geloof in Sleeswijk

In 1621 legden Nederlandse Remonstranten de eerste steen  voor Friedrichstadt.  Hertog Friedrich III lokte Hollands kapitaal en kennis met godsdienstvrijheid en de mogelijkheid om te investeren in drooglegging van meren, turfwinning en bedijking van kwelders.  Hollandse ondernemers  investeerden in enkele projecten die net zulke luchtbellen bleken als veel huidige internetfondsen. Een voorbeeld is Börmerkoog, een meer dat is drooggelegd door de Nederlander Christiaan Becker. Uniek want dergelijke drooggemalen meren komen buiten Nederland nauwelijks voor. Nog geen twintig jaar later keerden de eersten geruïneerd naar Nederland terug. Wat rest zijn Hollandse landschappen en  een stadje dat het Hollandse verleden met Volendamse allure vermarkt.

Verschenen in Op Lemen Voeten 2003-5

Meer foto's

Een groepje jongens en meisjes fietst tegen een ijzige wind de brug over, de ruggen gebogen en de handen stevig om het stuur. Friedrichstadt, een stadje op een dam in de rivier de Treene, ademt de sfeer van Hollandse steden: trapgeveltjes, grachten en stenen bruggetjes. Ook het omliggende landschap met polders en veel water is Hollands.

Godsdienstvrijheid, handel en nieuw te winnen land, lokten Hollanders naar Sleeswijk, het land met de brede horizon in Noord-Duitsland. Hertog Friedrich III van Sleeswijk bood hen deze privileges. In een web van rivieren, meren en moerassen wilde de hertog een nieuwe stad bouwen. Geen gewone stad, maar een handelscentrum dat de havensteden van zijn Deense vijand naar de kroon kon steken. Het ontbrak de ambitieuze Friedrich echter aan voldoende geld en bekwame mensen. Holland bulkte aan het begin van de zeventiende eeuw van ondernemingslust en kapitaal. De economie bloeide als nooit tevoren. Overal zochten de Hollanders mogelijkheden om te investeren. Tot de meer riskante, maar tot de verbeelding sprekende, beleggingen behoorden het bedijken van kwelders en het droogleggen van meren en moerassen. In een periode van nauwelijks twintig jaar investeerden Hollanders overal langs de Europese kust van Rome tot St. Petersburg in dergelijke projecten. Ook de uitvoering was vaak in hun handen. Maar in Friedrichstadt was het niet louter een kwestie van geld verdienen. In 1619 bereikte het conflict in de Gereformeerde Kerk tussen de rekkelijken en de preciezen zijn hoogtepunt. De synode van Dordrecht deed 200 rekkelijke dominees in de ban. Deze dominees richten de Remonstrants Broederschap op. Twee jaar later legden Hollandse remonstranten de eerste steen van Friedrichstadt. Op de gevel van hun kerk schreven ze "Gebouwd in 1624 door de stichters dezer stad, uitgeweken uit Holland om der vrije godsdienst wille...'

Frau Antje

In de Holländische Stube, waar generaties lang de Hollandse familie Ovens woonde, is het heerlijk eten tussen Delfts blauwe tegeltjes. Het toeristenbureau van het Holländerstädtchen adverteert met Frau Antje, het Hollandse kaasmeisje. Een affiche spoort toeristen aan een Grachtenfahrt te maken. De grachten omlijsten een simpel rooster van evenwijdig lopende straten. De hoofdstraten lopen uit op een groot plein. Daar in het hart van het stadje staan de Hollandse koopmanshuizen er fris en vrolijk bij, de bakstenen geveltjes smetteloos wit geverfd. Alle godshuizen, ook die van de stichters van de stad, staan stil en onopvallend in zijstraten. Op het centrale plein verrees slechts het stadhuis, want in een vrije stad met zoveel geloven mocht geen enkele kerk in het midden staan. Niet alleen remonstranten, maar ook Portugese joden, oud-katholieken, kwakers en mennonieten trokken naar Friedrichstadt om er in vrijheid hun geloof te belijden.

Leeg land

De klok moet op zomertijd, maar de aarde is nog schitterend wit. Venijnig blaast de oostenwind de oren koud. Onder aan de zandrug bij het dorpje Bergenhusen, vijftien kilometer van Friedrichstadt, strekt zich een sneeuwvlakte uit: de Börmerkoog, een droogmakerij. Het is één van de Hollandse landaanwinningsprojecten in Sleeswijk. Bedijkte kwelders en drooggelegde moerassen vind je op veel plaatsen in Europa, maar drooggemalen meren zijn heel zeldzaam. Die liggen bijna allemaal in Nederland. In 1623 gaf hertog Friedrich een groep Hollandse investeerders uit Friedrichstadt toestemming enkele meren leeg te pompen, waaronder de Börmersee. Ze kozen Christiaan Becker, één van de investeerders, als directeur van de onderneming. In hetzelfde jaar stuurde hij zijn mannen de modder in om met schep en kruiwagen een ringdijk aan te leggen. Daarna sloegen vier windmolens het water uit het meer in de ringvaart.

De droogmakerij ligt er verlaten bij. De koeien staan op stal. Alleen wat reeën steken donker af tegen de sneeuw. Sloten, als langs een liniaal getrokken, doorsnijden al even rechte wegen. Alleen de ringdijk volgt de grillige loop van de natuur: de oevers van het voormalige meer. Een kuil, zoals de Noord-Hollandse droogmakerij de Beemster, is de Börmerkoog niet. Het hoogteverschil tussen ringdijk en polder is klein. Met een afgewaaide tak meten we een verschil van nog geen meter. De Börmerkoog lijkt daarom meer op de eerste Nederlandse droogmakerijen bij Alkmaar, zoals de Bergermeer. Ook de statige laanbeplanting van de grote Nederlandse droogmakerijen ontbreekt. De Börmerkoog oogt hierdoor prachtig weids. De elsjes die her en der opschieten uit de slootranden verstoren deze openheid niet echt. Ze verzachten de strakke ordening van het ingerichte land. Ook de ringdijk wordt ondermijnd door opschietende elzen. Een Nederlandse dijkgraaf zou het maar niks vinden. Achter het gemaal uit 1915 zit een buizerd op een paal. Het zal nog een tijdje duren, maar dan beginnen we oog te krijgen voor die stukken hout in de wei. Het zijn wrijfpalen. De koeien verdrijven er de jeuk mee. Je hebt ze in alle soorten en maten. De één is kunstig besneden tot een totempaal, de ander recht en zonder poespas, weer anderen zijn van steen. Bij het dorpje Börme aan de oostkant van de polder tuurt een man met hond over het lege land. Ooit moet er volgens hem een dorp in het midden van de polder hebben gelegen. Een dorpsgenoot vond er tegels en pijpenkoppen. Een kaart uit 1702 laat geen dorp zien maar twaalf verspreid liggende boerderijen. Nu resteren er nog twee langs de dijk van de Börmerkoog. Een daarvan herbergt een kroeg, een manier om het schrale inkomen van het land te vergroten.

Ramspoed

De investeringen van de Hollanders bleken net zo’n sof als die in veel van de huidige internetfondsen. De dijk moest veel zwaarder worden dan voorzien waardoor de investeerders bijna 400.000 mark kwijt waren: vier keer zoveel dan begroot. Meer rampspoed volgde. Toen de klus eenmaal geklaard was, konden de Hollanders het nieuwe land niet in gebruik nemen. In hetzelfde jaar dat de meren werden leeggemalen liet de hertog de dijken weer doorsteken. Een waterlinie moest Friedrichstadt beschermen tegen de Deense vijand. In 1644 was het weer raak. Volgens een beschrijving stroomde het getijdenwater dagelijks de polder in en uit. Huisraad en gebouwen dreven mee. De lokale bevolking, door de Hollanders beroofd van haar vis- en jachtgronden, vond het prachtig. Ze hielpen de waterwolf een beetje en maakten molens en sluizen met de grond gelijk. Na deze tweede 'dijkdoorbraak' was het gedaan met de Nederlandse investeringslust. De meren zouden nog vaak bedijkt en drooggemalen worden, maar deze keer met hulp van Hamburgse en Sleeswijkse investeerders.

Ook met Friedrichstadt ging het niet goed. Het kapitaal dat er rondging stelde niet veel voor. Twintig jaar na de komst van de Remonstranten keerden de eersten al weer terug naar het echte Holland, waar het godsdienstige klimaat inmiddels was verbeterd. Op de begraafplaats bij de roze remonstranten kerk staan Duitse namen in graniet gebeiteld. Alleen op de groen uitgeslagen grafstenen, onder de statige kerkramen, zijn nog vaag wat Nederlandse teksten te lezen.