Jāni langs de groene spoorwegen


In Letland en Estland laten ze er geen bomen over groeien. De helft van de 700 kilometer aan verlaten spoorwegen hebben ze schoon gekapt, omgetoverd tot fiets- en wandelpaden. Groene spoorwegen noemen ze die. Bijna overal loop je tussen bomen en struiken, Balten zie je nauwelijks. Dat lijkt saai wandelen, maar het is juist zen. Op 23 juni is de rust voorbij, dan slaan de Letten hun kampement op in het bos, steken de BBQ aan, drinken wodka en springen over het vuur.

Verschenen in Wandelmagazine 2020-2 

Na twee uur strak rechtdoor lopen zoeft een man met cowboyhoed geruisloos voorbij. Niet voorovergebogen op een snelle fiets, maar kaarsrecht overeind op zijn elektrische eenwieler, de handen losjes in de zij. Het lijkt wel een science fiction film. We zijn te verbouwereerd om “Labda diena” terug te roepen. Graag hadden hem gevraagd hoe hij op dit hobbelige paadje overeind blijft. Maar de space cowboy is al een stip in de verte tussen het groen.

Een pad vol gedachten

Tot nu toe zijn we op de voormalige spoorweg Riga-Sint Petersburg niemand tegengekomen. Zelfs de huizen langs de baan zijn op een hand te tellen. Het rechte pad maakt ruimte in ons hoofd vrij voor overpeinzingen en herinneringen zoals die ontmoeting, een paar uur geleden, met kleuters bij het kasteel van het Hanzestadje Limbaži. Hand in hand liepen ze daar over de wei, omgeven door het uitbundige groen van imposante eiken. De meisjes hebben een krans van eikenblad en veldbloemen om hun hoofdjes. Verderop stapelen jongetjes gesprokkeld hout op voor een vuurtje. “We bereiden ze voor op Jāni, onze belangrijkste feestdag”, legt de begeleidster Galina vriendelijk uit. “23 juni is de naamdag van Johannes de Doper en van heel veel Letten. Jāni is de meest voorkomende jongensnaam, voor meisjes is dat Jana. Op die nacht kruipen we bij elkaar naast een groot vuur in het bos of langs een meer.” Hmmm…. Als toerist loop je op zo’n feestavond met je ziel onder je arm. Brrr…. De herinnering aan een koude Kerstavond in Rome, lopend langs gesloten restaurants met besloten familiediners, schiet voorbij. Zal het ons op Jāni net zo vergaan? Shit, niet zo somberen. Loslaten en opgaan in het ritme van de spoorbaan, kedengedeng, nog heel wat kilometers te gaan.

Langs het spoor

“Het mooiste was de nachtrein naar Sint-Petersburg. Dan zag je vanuit onze woonkamer de lichtjes voorbijschieten”, herinnert Rita zich. Steeds weer komen er nieuwe herinneringen bij haar naar boven “Als we bezoek kregen gooiden onze gasten alvast de koffers uit het raam van de trein, dan hoefden ze die niet mee terug te zeulen van het station naar ons huis.” Ze hoort haar vader weer waarschuwen als ze langs het spoor naar het meer liep om te zwemmen. “Leg je oor op de rails”, zei hij altijd “dan kan je de trein van ver horen komen.” Vijfentwintig jaar geleden werd het eng stil langs de baan, geen trein die meer passeerde. ” Ook Rita vertrok. Ze ging naar Engeland, net als vele Letten die de crisis probeerden te overleven. Na de dood van haar moeder woont ze weer thuis bij haar vader op de boerderij. Op het moment dat we haar erf oplopen, is er net een kalfje geboren. Een half uur later mogen we het zien; moeder koe likt het kalfje dat nog staat te trillen op haar pootjes. Vertederend, maar Rita ziet, anders dan haar vader, meer in paarden. Er lopen er al heel wat rond. “Ik heb paardentochten in de aanbieding die nu over het spoortracé kunnen lopen.” Ze vindt het geweldig dat het tracé weer begaanbaar is.
 

De wijde blik

Wat een werk is het geweest om al die bomen en struiken te kappen. We zijn nieuwsgierig of er nog te wandelen valt over een verlaten spoorbaan die niet schoon gekapt is. Zodra er een mogelijkheid is, proberen we het uit. Lekker ruig wandelen we over een geitenpaadje. Maar waar dat ophoudt, beginnen we al snel te vloeken. Met schrammen op gezicht en armen worstelen we ons door het Letse struweel. Hadden we maar een kapmes. Ongelooflijk hoe snel een spoor overwoekerd raakt!

Elke dag dat we langer over de groene spoorwegen lopen, vinden we de variatie in het landschap toenemen. Tussen Puikule en DikĮi zijn er oude stations, zowel in verval als in gebruik. We kruizen heel wat beekjes en in de bossen staan niet alleen naaldbomen, maar ook berken en eiken. En steeds vaker wijken de bomen voor een uitgestrekt moeras of blauwgroene graanvelden. Het tracé net over de grens in Estland, tussen Mõisaküla – Viljandi vinden we het mooist. Daar zijn de bomen langs de baan gekapt, waardoor we zicht hebben op het omliggende land. Dat ver kunnen kijken hebben we, polderjongens als we zijn, gemist. Maar helemaal relaxed lopen we niet. Beren op de weg, het zou zomaar kunnen. Een nieuw fenomeen. Vroeger zaten ze alleen in het oosten bij de grens met Rusland. Fijn dat we die joekels, door de rigoureuze bomenkap, van ver kunnen zien aankomen.

Brandend geweten


Hoe het ons verging op Jāni-avond, wilt u weten? Het was helemaal oké. Artus en Galina, een artsenechtpaar uit Riga nodigden ons uit op de geitenboerderij van hun vrienden. Ze vlochten kransen van eikenbladen en veldbloemen. Met de Jānikrans op het hoofd zaten we de hele avond en nacht rond een groot kampvuur te kletsen, te eten en te drinken. Op het dak klepperden de huisooievaars met elkaar. In het halfduister van de nacht sprongen we over een gloeiende hoop houtskool. De vlammen trotseren, dat doen alleen verliefde Letten.

We waren de doctoren tegengekomen op een speurtocht naar een vergeten monumentje uit de Tweede Wereldoorlog. Het begon allemaal ’s ochtends in de voormalige KGB-gevangenis in het knusse stadje Cēsis, waar de Russische geheime dienst Letten aan de tand voelde. Het is nu een museumpje dat Sirdsapzinas Ugunskurs heet. Dat betekent zoiets als Brandend Geweten. Ook hier is men voorbereid op Jāni, de kille cellen zijn opgefrist met vers gekapte berkentakken. “Dit museum wil laten zien hoe Letten zich verzet hebben tegen zowel de Sovjets als de Nazi’s”, legt gastvrouw Elina uit. We lopen langs een tijdlijn van 1939 tot 1957 en schuiven onderwijl laatjes open. Daar zit steeds een verhaal met een foto in. De verschrikkelijke geschiedenis van Letland in de 20ste eeuw komt voorbij. Hoe de Sovjets vlak voor de Duitse inval op 22 juni 1942 nog 15 duizend Letten deporteerde naar Siberië. In de chaos na de inval, die Stalin volkomen verraste, stierven ze van honger en dorst in de snikhete wagons die vast kwamen te staan, omdat de troepen op weg naar het front voorrang hadden. In een ander laatje lezen we hoe Stalin de deportaties naar Siberië meteen na beëindiging van de bloedige Duitse bezetting weer hervatte.

In laatje ‘7 augustus 1941’ stoten we op een verhaal over de Joodse bewoners van Cēsis. Op die dag, nog geen maand na de Duitse inval, worden ze bijeengedreven en kort daarop doodgeschoten in het bos bij het Ninierameer. Op een grote kaart wijst Elina de plek aan. “Er staat een gedenksteen, maar die is moeilijk te vinden.”

Tien traptreden naar beneden

Nieuwsgierig wandelen we de stad uit. Het meer glinstert tussen de dennenbomen. Aan de oever maken groepjes zich gereed om de nacht van Janis met elkaar door te brengen. We lopen over hertenpaadjes, door bosbesvelden en springen over loopgraven uit de Eerste Wereldoorlog. Maar het monumentje vinden we niet. Als we in een kringetje beginnen te lopen, krijgen we hulp van Artus en Elena. “We zijn twee jaar geleden ook op zoek geweest, maar hebben niks gevonden. Vinden jullie het goed als we meegaan?” Een geschenk uit de hemel. Niet wij maar zij vinden uiteindelijk als eerste het monumentje. Artus laat het ons per telefoon weten. We hollen naar de bosrand waar hij met zijn mobiel staat te zwaaien. Hijgend lopen we achter hem aan een dalletje in. Aan het eind leiden tien traptreden ons omlaag naar een muurtje. “Fašistu terora upuru kapi 1941” (Graven van de slachtoffers van fascistische terreur) staat erop geschreven. Dat het overgrote deel van de 250 vermoorden Jood waren, staat niet vermeld. “Dat kon gewoon niet in de Sovjet-Unie”, zegt Elena. Het avondlicht valt over een overwoekerd perkje. Wij zijn er stil van, onze opwinding over de goede afloop van onze zoektocht drukken we weg.

Terug in Nederland corresponderen we met de Universiteit van Letland. Karina Barkane brengt plaatsen in kaart waar in haar land Joden vermoord zijn. Dat zijn er heel wat. “De doden bij het Ninierameer zijn niet vermoord door Duitsers, maar door Letse fascisten”, schrijft ze ons. “Een doodseskader onder leiding van Viktors Arājs reed in de zomer van 1941 met een blauwe bus door het land en heeft bijna een derde van de 85.000 Letse Joden doodgeschoten. Waarschijnlijk ook die in Cēsis.” Natuurlijk waren er ook Letten, het kan niet genoeg benadrukt worden, die met gevaar voor eigen leven, joden lieten onderduiken.

De Zingende revolutie

Brrrr, heel beklemmend die verhalen over de 20ste eeuw. Laten we wat zingen, daar zijn de Balten goed in. Bij de laatste omwenteling, het afschudden van het Sovjetjuk, was hun a capella koorzang het belangrijkste wapen. De koordichtheid is in de Baltische staten waarschijnlijk het hoogste ter wereld. “Een van de weinige goeie dingen van de Sovjets was, dat ze het zingen op scholen verplicht stelden”, lacht gids Raitis, zelf ook enthousiast koorlid. In 1985, de Perestrojka bood net wat ruimte, zong het hele stadion tijdens het Letse Zang en Dansfestival in Riga het verboden lied Gaismas pils dat de hergeboorte van de Letse natie bezingt. Het was het begin van een onafhankelijkheidsproces dat in 1991 tot het door Letten gewenste resultaat leidde. “Waar was jij op 25 augustus 1989?” vragen we aan Raitis. Op die dag, de verjaardag van het Molotov-Ribbentroppact dat de verdeling van invloedssferen tussen Nazi’s en Sovjets vastlegde, stonden 2 miljoen Balten zingend hand-in-hand in een lange rij op de Baltische straatweg tussen Tallinn en Vilnius. “Ik was toen 18 en stond op de grens met Estland. Prachtig was dat om daar uit volle borst te zingen, samen met mijn ouders en al die anderen.”