Lopen langs kaden en linten in de Lopikerwaard

De dorpen in de Lopikerwaard zijn kilometers lang en maar twee huizen breed. Daartussen strekt de polder zich oneindig uit in niets verhullend licht. Onder de strak blauwe lucht liggen smalle stroken groen opgedeeld door het zilvergrauw van  brede sloten.

Een wandeling van 18 km van Cabauw naar Oudewater door het veenweidelandschap van het Groene Hart met routebeschrijving, foto's, kaart en achtergrondverhaal.

Verschenen in Op Lemen Voeten 2006-2

De bus naar Cabouw rijdt allang niet meer door het dorp. Hij stopt in de polder, bij een glazen abri langs de provinciale weg. Achter de bushalte hangen fietsen in het rek met rode metalen kleppen boven de zadels. Die dingen voorkomen dat Cabouwenaren ‘s avonds met natte billen door de polder naar huis moeten fietsen. De huizen van Cabouw liggen fraai als een lint langs een voormalige zijtak van de Lek, maar koffie kunnen we er niet krijgen. Café het Witte Paard is gesloten. Gelukkig maakt het smalle kerkenpad veel goed, dat loopt mooi recht door het sappige groen van de wei. Het verbindt de gereformeerden van het dorp Polsbroek met de katholieken van Cabauw. Een vreemd gezicht moet dat op zondag zijn geweest: katholieke- en gereformeerde dissidenten die elkaar, met de kraag hoog opgestoken, in de polder passeerden.
Het is moeilijk voor te stellen dat 1000 jaar geleden het maaiveld hier ruim vier meter hoger lag. Toen stak het veenmoeras nog boven de riviertjes uit. Nu is dat omgekeerd: het rivierwater stroomt tussen dijken boven het polderland. De ontginning van het drassige veenkussen begon met het graven van sloten. Men groef vanaf de rivier het moeras in. Het water kon daardoor uit het moeras naar de laaggelegen rivier stromen. Zo werd na al dit gegraaf  en geploeter de bodem geschikt om boekweit op te verbouwen. Vanaf het jaar 1000 kwamen de kolonisten  uit andere delen van Nederland waar, door een sterke bevolkingsgroei, niet genoeg land meer was. Iedereen mocht een stuk land van  30 roeden (113 meter) breed in gebruik nemen. Een vaste dieptemaat was er niet. De kolonisten mochten zo ver als ze wilden het moeras in.

Achterkade
Het veenweidelandschap is eigenlijk op zijn mooist vanuit het vliegtuig. Pas dan kun je goed zien hoe mooi het lichtgroene land in stroken wordt verdeeld door al die  sloten. Wij wandelaars op de grond kijken jaloers omhoog en tellen wel zes witte strepen in het blauw van de hemel. Het kerkenpad steekt na een tijdje door een dicht begroeid dijkje. Dat is een achterkade. In dit deel van het Hollands-Utrechtse moeras kwam zoveel water uit het omringende moeras, dat de landsheer een maximale lengtemaat van maar 6 voorling (1250 meter) voor elk perceel voorschreef. Daarna diende een kade aangelegd te worden, die de groep percelen aan het achtereinde tegen het water uit het nog niet ontgonnen moeras moest beschermen. Door deze strak georganiseerde manier van ontginnen, die cope werd genoemd, was het mogelijk om ook deze natte gebieden als akkerland te gebruiken. We lopen de kade op en kijken tussen wilgenbomen over het land. Verdwalen kan niet, gewoon de kade volgen, anders kan niet. En dan heb je in de verte nog de watertoren van Schoonhoven die als een piketpaaltje boven het stadje uitsteekt.
‘Vuurpijlen?,’ roepen we naar een boer in de wei. ‘Nee, voor bij de rattenvallen,’ lacht hij terug. De bamboe stokjes met roodgele uiteinden moeten zijn uitgezette rattenvallen markeren. Over de sloot heen beginnen we een praatje. Hij helpt de overheid een beetje, die kan het niet alleen. Steeds meer muskusratten ondermijnen zijn wei. De tractor zakt weg, de koeien breken hun poten. ‘Zo’n rat graaft zich vanaf de sloot drie meter het land in. Een hele kubieke meter grond verplaatst die dan.’ Hij maakt ze liever niet dood, maar als je niks doet wordt het ramp. ‘Reken maar uit: Drie keer per jaar jongen. Zes per worp. Dat is al gauw meer dan 40 van die beesten per jaar.’ Gisteren had hij er acht in één val. ‘Dat was daar bij die sloot,’ wijst hij. Het is zo’n brede sloot met van die fraaie rafelkanten. Het water staat er bijna tot aan de rand. Dat moet om het veen nat te houden, anders hou je geen land meer over. Maar bij harde wind happen de golven gaten in de slootkant. Wat je ook doet altijd gaat er land verloren.
We passeren de enige molen op onze tocht. De Cabauwer middenmolen werd in 1454 gebouwd, afgebrand en steeds weer herbouwd. Door de ontwatering kromp het veen en daalde het land. Dat ging heel snel. In 1328 kwam een aangesloten dijk tot stand die moest voorkomen dat de Lek het ontwaterde moerasland overstroomde. Het gebied was zo laag komen te liggen dat akkerbouw op de natte grond niet meer mogelijk was, veeteelt wel.  Het slootwater stroomde niet meer vanzelf weg. Met schoepenraden schepten de boeren het water uit sloten naar de rivier. Rond 1400 kwamen windmolens in gebruik.

Spelletje
Een man met sigaar fietst bij Vlist de polder in. Ook dit dorp is weer een lint van oude boerderijen langs een kronkelend riviertje. We beginnen met een spelletje: Rara wie woont daar, een boer of iemand uit de stad?  Een dak dat laag tussen de vier palen van een hooiberg hangt, duidt op import. Daaronder ligt meestal geen hooi meer, maar hout voor de open haard. Ook de auto staat er droog onder de kap. Burgers in de nieuwbouw aan de rand van het dorp bouwen aan een heuse plattelandsidylle: villa’s met rieten daken en hooibergen om de auto onder te stallen.
Even voor het ooievaarsstation van Haastrecht gaan we een zijwende op, dwars door het weidegebied.  Ook een zijwende is een kade die het water buiten het ontgonnen gebied moet houden. Zoals een achterkade maar dan aan de zijkant. Een ontginningsblok heeft dus vier zijden; het lint met boerderijen, een zijwende, een achterkade en nog een tweede zijwende. We volgen de jogger, die in glad strak pak de achterkade opholt. De slootkanten aan weerszijde van de kade zijn zwart door uitgebaggerd veen. Koeien drinken er water met de poten gebogen en de nek gestrekt. Een tractor drijft langzaam een rij koeien door de wei naar de stal: het is melktijd.

Appels
Om bij Goejanverwellesluis te komen moeten we de kade af en de dijk van de Hollandse IJssel op. Bij de sluis valt heel wat te lezen. Vier infoborden tellen we, allemaal van de ANWB in samenwerking met steeds weer andere gemeenten. Ook het waterschap deed mee. Alleen voor het bordje bij de schandpaal kon de ANWB, vreemd  genoeg,  geen medesponsor meer vinden. Buiten het dorp staan de appelbomen schuin op het dijktalud. Voor een appeltje hoef je de dijk niet op, die pakken we hier van de straat, zover hellen de bomen voorover. Even schrikken wanneer een appel op een wielrenner valt. Hij richt zich op van het stuur, kijkt omhoog en fietst verder. In een boerderij langs de appeldijk kopen we een kilo kaas. We vragen meteen maar even wie moet betalen als er schade door appels ontstaat. ‘De appels,’ glimlacht de boerin.
‘Torenklimmen, heksenwaag en touwmuseum staat er in zwarte letters op een bord bij Oudewater. Voor al die dingen is het te laat. We zoeken een bushalte. Die staat hier gelukkig niet in de polder, maar nog steeds tussen de huizen.