Poolse Oderdelta: En maar maaien en grazen

Nijvere bevers, burlende edelherten en indrukwekkende zeearenden, het stikt er van in de Oderdelta. Het landschap met weiden, rietvelden en moerasbossen oogt als Holland uit de plaatjesboeken van Jac. P. Thijsse. Hoe krijgen die Polen dat voor elkaar?

Verschenen in Wandelmagazine 18-4

Meer foto's

September, de tijd van burlende mannetjes en hitsige hindes. “Hoooeeewww, Hoooeeww, Hooo, Hooee” brult het edelhert onder ons slaapkamerraam. Onder de dekens luisteren we naar zijn machtige geluid. Met zo’n  zware stem moet het beest geweistangen hebben van buitengewone afmetingen, fantaseren we. Steeds weer op onze lange wandeldagen horen we de lokroep van de edelherten, verborgen in het groen. Niet zien, maar wel horen, het geeft de wandeling een mysterieus tintje. Zien doen we de dieren uiteindelijk ook, statig voortschrijdend aan de randen van het open veld. Veel meer wild komen we tegen. Een everzwijn steekt knorrend zijn kop boven het riet uit. De wasbeerhond loopt een stukje mee over de dijk en een otter glipt weg tussen de bosjes. Een dag eerder kropen we in camouflagepak langs het kanaal en zagen nijvere bevers aan het riet knagen.

Allemaal mooi meegenomen, maar we zijn hier voor de zeearend. Vandaag, op onze tocht naar de monding van de Krepa, tellen we er zo’n vijftig. In de Oderdelta leven ongeveer een honderd paar zeearenden, maar in september komen daar overwinteraars uit het noorden bij. Op de kale boomtoppen langs de Lagune van Szczecin zitten ze te wachten, loerend op een vette vis of een dood hert. Wat een machtige vogels zijn het. Als je ze rustig in een boomtop blijven zitten, is de grote gele snavel goed te zien. Maar meestal moet je het doen met een imposante zwarte contour tegen het scherpe hemellicht. Niet voor niets noemen ze hem ook wel vliegende deur. Ook de witte staartveren zijn met het blote oog goed te onderscheiden. Niet voor niets spreken de Engelsen van de White-tailed eagle.  

Verkadealbums

Al dit spektakel is te zien in het fraaie landschap van onze grootouders: Uitgestrekte graslanden, rietvelden en moerasbossen doorsneden door water en dijkjes. De Oderdelta oogt als de plaatjes uit de prachtige Verkadealbums van de natuurpionier Jac. P. Thijsse zoals de Bonte Wei, het Naardermeer of Langs de Zuiderzee. Het soort boerennatuur dat je tegenwoordig in Nederland met een lampje moet zoeken, maar hier kun je er heerlijk dagen achtereen door heen struinen. Bij ons vrijwel verdwenen door de gigantische groei van de landbouwproductie in de afgelopen zeventig jaar, langs de Oder volop aanwezig. Gek genoeg zijn er langs ons pad weinig sporen van het boerenbedrijf te zien. De grote collectieve boerderij van Czarnocin die al dit land beheerde, heeft de val de Muur niet overleeft. Aan de rand van het gehucht staat het stallencomplex te verkruimelen. De arbeiders van de landbouwfabriek zijn werkeloos geworden en slijten hun dagen in een flatgebouw. “Toen het collectieve landbouwbedrijf stopte, kon je grond kopen”, vertelt een van hen. “Maar was voor ons niet weggelegd. Handige partijbonzen zijn er voor een habbekrats met het land vandoor gegaan. Die wonen niet hier, maar in de stad.” Ondanks de onzichtbaarheid van de boer schiet het riet en de wilg niet overal op? Hoe dat kan? Door maaien en grazen natuurlijk. Maar wel heel anders dan de verdwenen boer het deed. Makkelijk is allemaal niet.

Manusje-van-alles

 “Ik wordt hier heel treurig van”, zucht Tomasz. Onze gids was tot drie jaar geleden de natuurbeheerder van Karsiborska Kępa, een eiland aan de noordkant van de Lagune. We lopen over het ringdijkje door geel wuivende pluimen van duinriet. Best wel mooi, maar Tomasz ziet alleen maar verlies. “Vorige jaar zijn de 30 konikpaarden die hier alles kort hielden op last van de veterinaire dienst verwijderd. De arme dieren waren verwaarloosd. Voetrot. Gewoon omdat het gebied niet meer goed werd bemalen”, is Tomasz’ stellige overtuiging. “Ik hield het weerbericht elke dag bij en wist dan of de pomp van het gemaal aan of uit moest.” Altijd was hij bezig. Had hij een date met een vrouw dan moest hij die afzeggen omdat er weer een paard was uitgebroken. “Tomasz er loopt een paard in het dorp”, kreeg hij minstens een keer per week te horen. Als een geroutineerde cowboy dreef hij het beest dan weer terug naar de wei en repareerde  de gaten in de  hekken. Dan had hij ook nog zijn handen vol  aan maaien en hooien zodat er ’s winter ook genoeg te eten was voor zijn paarden op stal. “Het was gewoon te veel werk voor een deeltijdbaantje, ik ben er mee gestopt.” Een nieuwe manusje-van-alles, zoals Thomasz, kwam er niet. Het gebied groeit langzaam dicht met riet, het is wachten op de komst van de wilg. En de weidevogels zoeken hun heil elders.

Poolse Oostvaardersplassen

Het riet krijgt geen kans in het Parku Natury Zalewu Szczecinskiego bij Czarnocin. Grote kuddes konikpaarden en Schotse hooglanders grazen vredig in het weidse landschap. Het doet ons denken aan de Oostvaardersplassen. Toch is het anders. Hier geen kale vlakte met dooie boomstompjes zoals je die kunt zien vanuit de trein tussen Almere en Lelystad, maar lekker groen met af en toe een stevige eik waar de beesten schaduw zoeken. En hier mag je gewoon tussen de grote grazers doorlopen. Niks geen hekken. Van Tomasz, die ons ook hier rondleidt, horen we dat deze paarden en hooglanders het hele jaar buiten blijven. ‘s Winters krijgen ze hooibalen om hun buikjes lekker vol te eten en blijven ze leven. In de Oostvaardersplassen moeten de grazers zelf hun eten bij elkaar schrapen waardoor in sommige jaren een fiks deel van de kudde in de winter sterft van de honger.

Ook hier is het ideaal om net als in de Oostvaardersplassen jaarrond te begrazen zonder bijvoeren, vertelt Kazimierz Rabski, de manager van het gebied. “Als onze grazers ook ’s winters hun kostje bij elkaar moeten zoeken, ontstaat er meer variatie in de begroeiing en kun je nog veel meer planten en dieren verwachten.” Hij legt uit waarom jaarrond begrazen nog niet lukt. “Je moet bedenken dat geen boer dit stuk land wilde hebben, toen in 1992 de grond van de kolchoz van Czarnocin werd verkocht. Het was er gewoon te nat. Bijna vijftien jaar schoot hier riet en brandnetel op en verdwenen de grutto en de watersnip. Toen heeft onze Vereniging met steun uit onder meer Nederland het land kunnen kopen.” Het huidige beheer is in zijn ogen niet ideaal, maar de meest haalbare manier om het landschap van ooit te behouden. “En de jaarlijkse subsidie van driehonderd euro per hectare voor het maaien van het gras, hebben we hard nodig om door te kunnen gaan.”

Het rode tractortje

Aan de rand van het dorpje Łąka steekt een gigantisch dak boven een gloednieuwe omheining uit. Hier wordt veel geld verdiend, dat is duidelijk. “Is dit een boerderij?”, vragen we over het hek. Een man snelt toe, maar begrijpt ons niet. ‘Kom hier’ wenkt hij naar een jongen van een jaar of twintig. Die spreekt wel Duits. “Nou nee, wij hebben geen koeien, alleen maar maaimachines!” Land hebben ze niet, ze maaien alleen voor anderen. Elk jaar zesduizend hectare. Trots steekt de oudste zes dikke vingers in de lucht. Met een weids gebaar wijzen ze hun werkgebied aan op de kaart. Eigenlijk overal waar we de afgelopen dagen hebben gewandeld; zowel op boerenland met de vertrouwde zwartwitte koe als in de ruigere gebieden van natuurbeheerorganisaties. “Die rode tractor tussen die konikpaarden eergisteren, daarachter bij Czarnocin, dat waren jullie ook?” Ze knikken instemmend. Nog maar een paar weken zijn ze bezig en overal hebben hun machines al fraaie hooirollen uitgekakt. We zien ze als enorme pepernoten uitgestrooid over het land of als stapels tegen een dijk gevleid. Ze hadden graag eerder willen beginnen, maar dat mag niet. Als ze  voor 1 september gaan maaien jagen ze de kievit en de tureluur weg en vangen de landeigenaren geen centjes voor agrarisch natuurbeheer. Die subsidies blijken niet alleen de maaiers een goed belegde boterham te bezorgen maar ook de slimmeriken te spekken die na de ondergang van de kolchozen het land toe eigenden.

Cadeautje

We staan versteld hoeveel doorzettingsvermogen het kost om dit fraaie landschap zonder boertjes van toen in stand te houden. Welke aanpak onze voorkeur heeft, weten we even niet. Traditionele boeren lijken hier subsidiejagers uit Verweggistan. We snappen waarom Tomasz zijn strijd heeft gestaakt. En die grote grazers? Wel mooi groen, maar zo anders dan de zwartwitte koeien waarmee wij zijn opgegroeid. Zeker is dat al die aardige Polen die wij hebben ontmoet, het beste voor hebben met de natuur langs de Oder. Ze zien het als een unieke kans om meer toeristen te trekken. Somber zijn we zeker niet. Ondanks dat we geen kievit of tureluur hebben gezien, die waren  al naar het zonnige zuiden vertrokken, hebben we in geen tijden  zoveel in het wild levende dieren gezien. Kom daar maar eens om in Nederland of Finland. Dat is een cadeautje voor de wandelaar en voor de streek die de inkomsten uit het natuurtoerisme zo goed kan gebruiken.