Franse Dollard

Ergens onder Bretagne hangt de Dollard op zijn kop tegen de Atlantische Oceaan. Net als in Groningen is ook deze Dollard omringd door een lappendeken van polders die in de loop der eeuwen aan elkaar zijn gezet. De oudste polders zijn een wirwar van sloten en bomen, de jongste langs de baai van Anguillon zijn de meest weidse polderlandschappen die wij ooit zagen. En in de 17de eeuw waren Hollands kapitaal, arbeid en paarden betrokken bij de droogleggen van de polder Petit Poitou.

Verschenen in Parool en Op Lemen Voeten 2008-3

Meer foto’s

Na een lange dag reizen door de okerkleurige graanvelden van Frankrijk, zien we in schemerlicht eindelijk ons reisdoel liggen. Hoog op een heuvel kijken we uit over een groengrijze vlakte. Het oogt mysterieus en meeslepend. De Fransen noemen het la Venise verte, het groene Venetië. Het liefst zouden we er meteen in willen lopen, maar daar is het al te donker voor. De volgende ochtend lopen we door een Franse variant van het Nederlandse laagveengebied. Het is een onderdeel van de Marais poitevin, een voormalige baai van de Atlantische Oceaan. Ooit was het een grote vlakte van slikken, kwelders en moerassen, steeds weer overspoeld door zee- of rivierwater. Het groene Venetië ligt erbij zoals het in de Middeleeuwen werd ontgonnen: weitjes omzoomd door lommerrijk groen en ontelbare slootjes, tot de rand gevuld met water. Geknipt voor de gestresste mens die in groene geborgenheid wil onthaasten. Door essen gefilterd zonlicht valt op kleinburgerlijke landgoederen: een hutje met picknickbank, visvijver, grill en een heuse oprijlaan. Elk pad is een wandel- of fietsroute. Op de slootjes verschijnt in het weekend een file van punters volgeladen met toeristen. Het is zaterdagochtend, dus reden genoeg om het Franse Giethoorn achter ons te laten. We trekken verder richting zee, naar de weidse horizonten van later ontgonnen gebieden.

De wolkenluchten zijn Hollands, dat wel, maar ze staan wat onwennig boven exotisch polderland. Het gras is niet groen maar geelbruin. Niet kort gemaaid, maar lekker ruig. Eerder een Afrikaanse savanne dan een sappige Hollandse wei. Grote witte vogels schieten voor ons weg. Steeds zoeken ze het gezelschap van de witgrijze koeien tussen het hoge gras: zilverreigers. Af en toe is er ook een purperreiger te zien. Over de dijk loopt een spoor dat aan beide kanten van de dijk eindigt in een glijbaantje naar de sloot onder kunstig gebogen gras. Zouden het ottersporen zijn? Na weer een aantal van die glijbaantjes moeten we die opwindende gedachte laten varen. Zoveel otters heeft Frankrijk niet. Een boer vertelt dat het beverratten zijn die zijn maïs opvreten. De oever langs de dijk is een gatenkaas. Hier kan de schrik van de Hollandse dijkgraaf zijn gang gaan. Dat de beverrat niet met dezelfde verbetenheid wordt opgejaagd als in Nederland, lijkt logisch, maar is het niet. De rivier stroomt nu dan wel lusteloos door de wei, maar in de winter kan het water plotseling snel stijgen en in korte tijd tot de dijk reiken.

Ceinture hollandais
We spreken een redelijk woordje Frans, maar als het debat van het polderbestuur losbarst over de aanstelling van een sluiswachter, haken we af. Een show met geluid en lichtbeelden in het poldermuseum voert ons terug naar de 17de eeuw, naar een vergadering in het polderhuis van de Petit Poitou. Deze polder werd in 1646 drooggelegd door de graaf van Siette. Er hangt een prachtige kaart uit die tijd. De polder, een hart gevuld met sloten en kanalen, ligt mooi Mondriaans te wezen in een oeroud moeras. De opzet van de polder is meteen duidelijk. Langs de brede bovenzijde van het hart loopt een kanaal, de Ceinture des Hollandais. Die moet het water dat van de heuvels naar de vlakte stroomt, opvangen en afvoeren naar weer andere kanalen. Die voeren het water op hun beurt linea recta naar de onderste punt van het hart. Daar wordt het via een zijl op de rivier geloosd. De naam Ceinture des Hollandais verwijst naar de Hollandse inbreng in de drooglegging van de polder. Deze gaat terug tot 1599 toen de Nederlander Humprey Bradley tot maître des digues (dijkgraaf) van het Franse hof werd benoemd. Hij bereidde wetten voor die investeringen in de drooglegging van moerassen en meren aantrekkelijk moesten maken voor investeerders. Ook richtte hij een investeringsmaatschappij op: "L’Association pour le Desecchement des Marais et Lacs de France". Nederlands kapitaal speelde een vooraanstaande rol in deze maatschappij.

Friese paarden
Overal werden projecten gestart, zoals langs de mondingen van de Rhone, Seine en Gironde en hier in de Marais poitevin. Bij de drooglegging van de Petit Poitiou was Bradley uiteindelijk niet betrokken. Hij stierf voor hij de eigenaren van het moeras naar zijn hand had gezet. Zijn eerste wet verplichtte eigenaren om hun land te ontwateren. Deden ze dat niet dan kwam hun land in handen van de investeringsmaatschappij. Dat stootte in het gebied waar we wandelen op sterk verzet van abdijen en gemeenten die grote stukken moerasland in bezit hadden. Later werden de wetten zodanig aangepast dat de grondbezitters hun verzet op gaven. Ook nu weer werd Hollands kapitaal gebruikt om het project te realiseren. Honderd jaar na drooglegging waren nog acht boerderijen in handen van de Amsterdamse familie Hoeufft. Niet alleen het geld kwam uit Holland, maar ook de droogleggers. Ze trokken met Friese paarden het moeras in om de klus te klaren. Langharige nakomelingen van die Friese werkpaarden lopen nu rustig te grazen op droog land. Bij de uitgang van het poldermuseum valt onze blik op een pastel kleurige aanzichtkaart met daarop een echte Friese sport. Nee, niet schaatsen, maar slootjespringen. Net als in Friesland zwieren ze hier met een lange polsstok over brede sloten.

Prises
Frankrijk komt bijna tot stilstand. De middagmaaltijd zit er op. Weggedoken achter een auto of liggend in de tuin gaan de oogjes toe. Net zo loom ligt La Dive in een gladde zee van graan en zonnebloemen. Dit kleine rotseiland werd rond 1800 nog door de zee omspoeld. Tot die tijd sloegen golven de kalkrotsen tot steile kliffen. Nu de zee de kliffen met rust laat, worden ze bedolven onder de klimop. Hoog langs de rand van het eiland heb je een prachtig zicht op de strak geordende polders en de buitendijkse wildernis. Aan weidse verten zijn we gewend, maar dit overtreft alles. Alleen een agro-complex met graansilo’s tast zonder gêne dit decor van oneindigheid aan. Het is een akkerbouwbedrijf van een paar duizend hectare. Eigenlijk mag je dit lege land niet in. Langs een rechte asfaltweg, naar het einde van de wereld, staat een bord verboden in te rijden. We kunnen de verleiding niet weerstaan en lopen verder. De weg voert door zes polders die ze hier "prise" noemen, wat zoiets als genomen van de zee betekent. Als de slikken hoog genoeg waren opgeslibd, werden ze omdijkt. De polders liggen er strak geordend bij. Nog maar kort geleden aan de zee ontnomen, zou je denken. Maar dat is niet zo. Vanaf 1800 werd elke 20 tot 60 jaar weer een strook van ongeveer een kilometer breed van de zee genomen. De laatste keer in 1965. De dijken tussen de prises zijn op de kaart duidelijk te zien. Toch kunnen we, zoals in de Nederlandse Dollard, de meeste niet meer vinden. Ze zijn gewoon weggeploegd. Wat rest is slechts een lichte hobbel in het akkerland. Alles zonder functie is weerloos. Maar misschien is ook hier iets veranderd in het denken over oude cultuurhistorische elementen. De Digues du Maroc uit 1912 rijst nog steeds als een muur op uit het land. Bij de dijk staat kunst: oude telegraafpalen leunen als stokken van een wigwam tegen elkaar. Vogelaars spieden met hun kijkers naar een hoopje stenen in de top van de ‘wigwam’. Is dit een ode aan de dijkenbouwers? Of toch gewoon functionele kunst bedoeld als schuilplaats voor de torenvalk? Het enige volk dat hier komt, de vogelaars, weet van niets.