Wandelen in de Stijl van Gerrit

Honderd jaar geleden startte kunstenaar Theo van Doesburg het tijdschrift De Stijl. Ook de ontwerper Gerrit Rietveld publiceerde in dat blad. Het Centraal Museum herdenkt dat feit met een wandelroute langs Rietvelds gebouwen in Utrecht Oost. Wandelmagazine liep de route en testte zijn wereldberoemde Rood-blauwe stoel.

Verschenen in Wandelmagazine Op Lemen Voeten 2017-3

Er loopt een olifantenspoortje door het hoge gras langs de lommerrijke Waldeck Pyrmontkade. Wij zijn niet de enige die hier een paar stappen terug willen doen om de grijze villa met witte stippen en knaloranje deur beter te kunnen aanschouwen. De stapeling van rechthoeken steekt scherp af tegen de omliggende huizen die je onmiddellijk als jaren twintig herkent: steile puntdaken en baksteensculpturen van de Amsterdamse School. De villa oogt veel jonger. Meer iets voor een plek waar de welstandscommissie niets te zeggen heeft; een zelfbouwkavel in een VINEX-wijk. Toch klopt dat niet. Ook deze villa stamt uit de jaren na de Grote Oorlog toen er radicaal werd gebroken met traditionele vormen. De Utrechter Gerrit Rietveld bouwde dit huis voor de chauffeur van een sjieke meneer. Niet met bakstenen maar met ruimte. Hij kwam uit op de strakke lijn en basale kleurgebruik die hij deelde met schilders en ontwerpers van de Stijl. “Aanvankelijk had ik een enorm minderwaardigheidscomplex”, horen we Rietveld op onze audiotour zeggen. Het werd anders toen hij lotgenoten leerde kennen zoals Stijl-genoten Theo van Doesburg en Piet Mondriaan en de Duitse architect Bruno Taut. Hij vond het bevrijdend. “Het hing kennelijk in de lucht”, sprak Rietveld jaren later.

Hoe zit ie?

Een vraag komt steeds weer terug tijdens onze wandeling. “Hoe zit ie?” Dat gaat niet over de gebouwen van Rietveld, daarover later, maar over zijn stoel. Voor Rietveld was het ontwerpen van een stoel een onderzoek naar hoe je een huis vorm gaf. Zijn wereldberoemde Rood-blauwe stoel, twee kaarsrechte planken die door enkele slanke zwarte latten bij elkaar gehouden worden, doen dat volgens hem “zonder de ruimte te omsluiten.” Dat was ook zijn belangrijke principe als bouwmeester. Hij wilde juist ruimte scheppen, niet de ruimte begrenzen met wanden.

“Kan ik me laten knippen in een Rietveldstoel?” vraag ik in kapsalon Ikke aan de van Ostadestraat, waar Gerrit Rietveld ooit zijn eerste meubelwerkplaats had. “Nee joh, die zit voor geen meter!” giechelen twee dames in het wit.  Ze hebben wel een oude foto hangen. De jonge Rietveld kijkt ons te midden van zijn krullenjongens nieuwsgierig aan vanuit de stoel. Nog zonder kleur en met twee zijschotten. “Als je hem zelf wilt proberen moet je naar de overbuurman. Die heeft er nog een in de etalage staan.” Jammer genoeg is ie even weg voor een boodschap. Op een pleintje twee blokken verder hangen twee pubers verveeld op de armleuningen van een fiks uitvergroot exemplaar en kijken op ons neer. Later zien we in een etalage foto’s met mensen die op straat in de Rietveldstoel zitten. “Ik ben met een de rood-blauwe stoel van een vriend door de stad gelopen en liet er mensen plaats op nemen. Meestal kreeg ik te horen: het valt wel mee”, lacht kunstenares Brigida.

Geen waslijnen

Ook op het Robijnhof is Brigida geweest, een groep portiekflats uit 1957 in de wijk Hoograven. Maar liefst tweehonderd sociale huurwoningen mocht Rietveld hier bouwen. De vrouw die daar in de stoel belandde, vertelde haar: “Toen we hier kwamen wonen moesten we een contract tekenen dat je de was niet buiten zou drogen. Hij wilde geen rommeligheid.” Witte betonnen lamellen in de gevel onttrekken de droogkamers uit het zicht. Samen met de gekartelde uiteinden van de betonnen vloeren, de gekleurde kozijnpanelen en de overstekende platte daken valt daar de hand van Rietveld af te lezen. Na de recente restauratie staan de flats er weer in hun volle glorie bij. In Rietvelds oeuvre, dat vooral bestaat uit vrijstaande woningen en openbare gebouwen, is dit project een buitenbeentje. Voor een sociaal sterk bewogen architect die naar efficiëntie zocht zowel in ruimtegebruik als in het bouwproces, was dat een kolfje naar zijn hand. Juist in deze serie kleine woningen kon hij met zijn uitgangspunten goed uit de voeten. Een van de bewoners van het eerste uur roemde in dagblad Trouw de voor die tijd ruime indeling van de woning. ”We wilden zo graag ruimer wonen dat we ons hondje hebben laten inslapen. We waren bang dat we zouden worden afgewezen omdat huisdieren niet waren toegestaan.”

Blauwe sloffen

Zou je op de Robijnhof de indruk krijgen dat Rietveld zich weinig aantrok van de wensen van zijn toekomstige bewoners,  zijn absolute meesterwerk aan de Prins Hendrikstraat laat een andere architect zien. Daar werkte hij heel nauw samen met zijn opdrachtgeefster Truus Schröder. Niet voor niets draagt het huis hun beider naam. Het bijzondere Rietveld-Schröderhuis staat als een buitenaards object met zijn rug tegen de bakstenen zijgevel van een rijtjeshuis geparkeerd. Hier staan de hele dag door wel voorbijgangers naar het Werelderfgoed te kijken. Een Japans gezin is niet alleen voor Nijntje naar de Domstad gekomen; ze schuifelen op blauwe wegwerpsloffen door het huis. De ogen van hun zoontje volgen gebiologeerd de witte handschoenen van de gids. “Kom, de panelen gaan zo schuiven.” Zo lokt Mathijs zijn groep naar het centrum van de eerste verdieping. Wit, grijs en zwart zijn de dominante kleuren, de accenten rood, blauw en geel. Van dit punt kun je naar alle kanten door een raam naar buiten kijken, de hele verdieping is een grote leefruimte. Voor ons staat een bed, in de andere hoek ook. Achter ons een eettafel, daar de zithoek. Draai je naar rechts dan kijk je zo de badkamer in. Alles is gedaan om de ruimte zo min mogelijk te omsluiten en het contact met buiten te houden. Ooit moet het hier, vanaf één hoog, een weids uitzicht zijn geweest over de weilanden. In het schootsveld van de Hollandse Waterlinie mocht toen nog niet gebouwd worden. Helaas kijk je nu tegen een dicht begroeid dijklichaam met geluidsschermen aan die het zicht op het voorbijrazende verkeer ontneemt.

Even snel het bad in was er niet bij, eerst moest je een paar panelen verschuiven. “Hij vond dat je er wat voor moest doen als je jezelf wilde terugtrekken in dit huis”, licht Truus Schröder toe op de audiotour toe. Zij was diegene die in 1924 Rietveld zijn allereerste opdracht voor nieuwbouw gaf. Alleen het toilet heeft een gewone deur. De witte handschoentjes van Mathijs gaan omzichtig aan de slag met de schuifwanden die verstopt zitten achter andere wanden. Al snel ontstaan twee slaapkamers, dan scheidt de rode kamer zich af van de woonkamer. Alles past heel precies in elkaar; de hand van de timmerman lees je er van af. Draaiende deuren die ruimte kapen zijn er niet. Hetzelfde spaarzame ruimtegebruik valt af te lezen aan de werktafeltjes die weg geklapt kunnen worden of de gele kast waar Mathijs een ouderwetse grammofoon uit tevoorschijn tovert. Een anachronisme uit een ultramoderne huls.

Ikea

Pas in een woning van de strakke Rietveldblokken aan de Erasmuslaan valt het kwartje. “Het is gewoon Ikea!” verzucht Jonathan als hij de boekenkasten van Rietveld ziet. Uit te breiden of te verkleinen naar de wens van de gebruiker dankzij de modulaire opbouw, net als de kamers in het Rietveld-Schröderhuis. Ikeas concept “Organiseer je woning” bouwt voort op Rietvelds gedachtengoed.

Op de tentoonstelling “Leve de Stijl!” in het Centraal Museum kunnen we eindelijk de stoelen van ruimteschepper zelf testen. Een avond doorzakken op deze zetels lijkt ons een behoorlijke uitdaging. Wij zijn nog het meeste te spreken over een andere rechthoekige Rietveld stoel die met stof is bekleed. Truus Schröder, iemand die gek was van Rietveld, wijst nog op een ander minpuntje van het meubilair. “Je kon je aan die stoel verschrikkelijk stoten!”