Smullen van Rotterdams stadsgroen

Wandelmagazine verkent de toekomst van natuur en landschap in het nieuwste geologische tijdvak waarin de mens de natuur haar wil lijkt op te leggen: het Antropoceen. Na reportages uit natuurreservaten in Finland en Polen en het veenweidegebied van 020, wandelen we door de van de oogverblindende nieuwbouw aan de Maas. Minder bekend zijn de verassende dakakkers, de weelderige permacultuurperken en de gekraakte pluktuinen, waar de Rotterdammers enthousiast samenwerken. Niet alleen met de natuur, ook met elkaar.  

De Dakakker ligt op 7 hoog boven Coolsingel (foto: Hans Farjon)Meer foto's
Verschenen Wandelmagazine 2019-2

Op deze warme julidag ligt het Rotterdamse groen er heerlijk weelderig bij. Over het Dakpark rent een man met baard achter de fiets van zijn gesluierde vrouw aan. Verderop spartelen jonge kinderen uitgelaten in een fraaie waterval met fonteintjes. Dit smalle park boven op een voormalige spoordijk is wel een kilometer lang. Spoorwegen - verlaten, verdwenen of nog in bedrijf - we volgen ze de hele dag. Dit netwerk blijkt ruimte te bieden aan allerlei vormen van stadsnatuur. Het groen van het Dakpark is al weer een paar jaar aangeharkt en geformaliseerd. Maar denk nou niet dat de gemeente met dit plan is gekomen. Zoals alles wat we vandaag zien, is dit te danken aan de inzet van nijvere Rotterdamse burgers die zelf aan de gang zijn gegaan. Zo zorgen de zogenoemde  Schapendames er nog steeds voor dat de natuurlijke grasmaaimachines het gras van het park kort houden.

We dalen af door de moestuintjes van Hakim en Murat, waar spercieboontjes, suikermais en snijbiet welig tieren, en komen terecht in Proefpark de Punt; ook een bewonersinitiatief. Dat het park nog bestaat is ook te danken aan de val van de Lehman Brothers. De woningen die hier stonden waren nog niet gesloopt of de woningmarkt stortte in. Er staan al behoorlijk grote bomen tussen de woeste struiken en het hoog opschietende gras. Achter een zelf gemetselde pizzaoven klinkt zachtjes het gekakel van kippen. In de lommer van de tuin zit de vierentachtig jarig Jaap. “Ik hou hier een oogje in het zeil”, lacht hij vriendelijk. “De kippetjes zitten veilig achter dik gaas, anders worden ze niet zo oud.”

Permacultuur

Aan de andere kant van het Dakpark ligt de verlaten Keilehaven, ooit de tippelzone van de stad. Een paar krakers verdwijnen in een enorme gashouder, waar binnenkort een dancepaleis zijn deuren opent. 'Maatschappij voor Volksgeluk' gaat het heten, weer zo’n pakkende naam waar Rotjeknor patent op heeft. Tussen oude bedrijfsgebouwen ingeklemd ligt het groen van de Voedseltuin. Klanten van de Reclassering zijn aan de slag met courgettes en artisjokken. Wat ze precies doen is niet duidelijk, want onkruid wieden en gif spuiten is hier niet bij. “Wij doen aan permacultuur,” legt de struise Ragnhild uit. “We werken met de natuur mee. Onze tuin is heel divers, zodat er ook ruimte blijft voor insecten, vogels en planten, die we niet kunnen eten. We proberen te bereiken dat de tuin zich zelf onderhoudt.” Het klinkt allemaal geweldig. Als klap op de vuurpijl, blijkt de oogst via de Voedselbank bij de minst bedeelden van de stad terecht te komen. Jammer genoeg zijn de twee Voedseltuinkratjes per week een druppel op een gloeiende plaat. Om elke week de 6000 pakketten te vullen is veel meer nodig.

“Eet, drink, dans, lach (voordat het te laat is)”, staat er in blauwe letters tussen de bontgekleurde vissen op de muren van ontmoetingsplek “de Fruitvis”. De naam verwijst naar het recente verleden toen hier fruit vanuit de hele wereld werd gelost en geveild. “Nu komt hier geen banaan of mango meer uit een scheepsruim, dat is allemaal naar de Europoort verhuisd”, vertelt fruitconsulent Arjen die op zijn kantoor slechts virtuele vruchten ziet passeren. “Voor een echte appel of peer moet je tegenwoordig achter de Fruitvis zijn”, wijst hij. Daar ligt de grootste stadsboerderij van Rotterdam: “Uit je eigen Stad”. De stadsboeren hebben het zichzelf niet makkelijk gemaakt. Ze zijn zo’n tien jaar geleden neergestreken op een verlaten spoorwegemplacement. Toen de spoorstaven verdwenen, bleef er een zandige bodem bedekt met grint achter. “Niet bepaald vruchtbaar”, herinnert Marlies zich, die op haar hurken boontjes in een humeus zaaibedje legt. “Die hebben we jarenlang met veel toewijding moeten composteren en bemesten.”

Vis en sla

Het blijkt een helse klus te zijn om  de visie van de stadsboeren tot werkelijkheid te maken: bijdragen aan de voeding van de stad aan de Maas en de kringlopen sluiten. Drie jaar geleden moesten ze stoppen met hun experiment om  de verbouw van sla in kassen te combineren met de kweek van vis. De poep van de vissen voedt de slaplantjes, de sla houdt het water van de vissen schoon. Dat was het idee. Win-win zou je zeggen, maar het lukte niet om het bedrijfsmatig rond te maken. Ook de teelt van paddenstoelen en kippen liep tegen hetzelfde probleem aan. Ja zelfs het restaurant, waar we van een heerlijke salade genieten van groenten die hier vanochtend zijn geoogst, heeft kort na ons bezoek haar deuren moeten sluiten. Of de stadsboerderij nog heropent is niet duidelijk.

Met een goed gevulde buik lopen we naar het meest spectaculaire stadslandbouwproject van Nederland: de Floating Farm. Een Rotterdam onwaardige naam, die recht voor zijn raap vertelt wat het is, een drijvende boerderij tussen boten en havenkranen van de Merwedehaven. De melk  van een stuk of veertig roodbonte koeien melk zal ter plekke verwerkt en verkocht worden. Hun eten, ingekuilde gras in zwarte plastic balen, ligt als een vestingmuur klaar op de wal. Slechts één koe kijkt ons aan vanaf de overdekte daktuin bovenop een soort drijvende kas. “Die is niet echt”, waarschuwt een echtpaar met e-bikes aan de hand. De enige levende wezens op de boerderij zijn schaftende bouwvakkers. Het echtpaar is het wachten zat. De opening is al zo vaak uitgesteld. “Ik kan ook niet meer wachten tot ze arriveren. De kantoormuren vliegen me aan”, antwoordt  Albert, de jonge boer met donkere krullen, op mijn vraag wanneer de koeien nu echt komen. “Het duurt niet lang meer, maar we willen liever niet vertellen wanneer. Dan krijgen de dieren de kans om rustig te wennen aan hun nieuwe omgeving.” Pas als ze zich thuis voelen, gaat de deur open. Dan kan de nieuwsgierige stadsmens met eigen ogen zien waar zijn melk vandaan komt.

Trekpontje

Nadat we een druk verkeersknooppunt hebben weten te passeren, komen we op een verlaten spoorweg terecht. Een smal onverhard pad voert ons door een groen oase hoog tussen woonwijken, snelwegen en bedrijventerreinen. Dit is echt lekker lopen. Links beneden ons horen we het gekwetter van kinderen in de kinderboerderij. Met een wijde boog loopt de spoordijk lang het Kasteel van Sparta naar de Van Nelle fabriek, die als een groot glazen cruiseschip boven de spoorbaan uitsteekt. Vanaf hier razen de treinen voorbij. Hoge geluidschermen zorgen voor onverwacht veel rust in het groen in de brede spoorberm. “Lekker bezig in de natuur?” roepen we over een sloot naar een eenzame schoffelaar in een volkstuintje. “Natuur? Daarvoor moet je hier niet zijn. Ik kom hier voor mijn rust,” lacht hij vrolijk. “Maar ik moet verder, het onkruid slaapt nooit.”

Even verderop ligt een trekpontje. Als je aan de bel trekt, komt iemand je ophalen. “Welkom in  de Pluktuin,’ zo begroet de veerman ons als we aan boord stappen. Soepel glijdt de pont door het kroos en komen we in een klein paradijsje terecht. De Pluktuin is een boomgaard in grote potten op een dikke plak asfalt. Tot 2011 stonden hier auto’s geparkeerd. “Wij zijn met zes fruitboompjes in grote plasticzakken begonnen. Het asfalt wegbreken was niet te betalen. Nu staan er 110 bomen in potten. “Je moet ook even hierachter in het gloednieuwe Essenburgerpark kijken,” dringt de vrouw, die onze koffie brengt, aan. “Je kunt zo over olifantenpaadjes door het groen en langs water richting station lopen. Het is net geopend.” Tot voor kort was het een wildernis, maar nu een officieel park. Ook weer dankzij de inzet van buurtbewoners. Gelukkig is het woeste karakter, dat me doet denken  aan mijn gelukkige jeugd op rommelige bouwterreinen in Amstelveen, behouden gebleven. Soms waan je jezelf in een woest wilgenwoud. Het pad slingert om de knoeperts van bomen heen. Dat die bomen zo groot kunnen worden. We laten onze vingers verdwijnen in de diepe richels van de bast.

Opgestroopte mouwen

We moeten aan Faruks oom denken als we moe en voldaan van onze muntthee nippen op het terras van de Dakakker, het hoogste punt van onze tocht. Met Bosniër Faruk Bašić raakten we aan de praat tussen grote bakken vol groenten en bloemen in het Essenburgerpark. Hij bleek geïnspireerd door zijn oom die tijdens de belegering van Sarajevo  groenten verbouwde op zijn balkon, vijftien verdiepingen hoog. “Voor hem pure noodzaak, ik doe het voor de rust en om buurtgenoten te ontmoeten.” Vanaf ons terras, slechts acht verdiepingen hoog, kijken we zo tussen hoge flats de Coolsingel op. Zelfs op dit dak van het Schieblok groeit de munt die in ons theeglas staat. De tomatenranken schieten ver omhoog en er hangen zelfs appeltjes aan een boom. Een passend einde van een dag vol verrassingen. Hoe zal het verder zal gaan, vragen we ons af?  De stad voeden uit het groen lijkt ons niet meer dan een mooie droom. Maar wat een aangename ontmoetingsplekken in heerlijk groen zijn hier geschapen. Wij van 020 zijn best wel jaloers op al die Rotterdammers die hun mouwen opstropen en gewoon beginnen.