Via Plompetoren naar de stompe toren

Ik worstel en kom boven. Langs de zuidkust van Schouwen zijn de lidtekens in het wankele evenwicht tussen mens en water goed zichtbaar. Van de Middeleeuwen tot nu. Het water nam bij vliegende storm, maar ook als de zee glad was.

Een verhaal met foto's, kaart en routebeschrijving van een wandelroute van 22 km van Neeltje Jans naar Zierikzee

 

De bus stopt halverwege de Oosterschelde op Neeltje Jans. Vanaf dit kunstmatige eiland werd het slotstuk van de Deltawerken aangelegd. Behoud van natuur en vergroting van de veiligheid vonden elkaar in een doorlaatbare dam. Ook de mosselkwekers konden zo hun broodwinning behouden. Hoogtepunt van de Hollandse poldercultuur en waterbouwkunde. Misschien zijn we nog een beetje sloom van de lange reis, maar we hadden het ons wat spectaculairder voorgesteld. Het is windstil, de zon schijnt. De waterwolf ligt loom tegen de dijk, geen schuimkop te zien. Het eiland wordt grotendeels ingenomen door een waterpretpark. Heel gewoontjes met speeltuin, spoorbaantje en zeehonden. Op een enkel gedenksteentje na ontbreken zichtbare verwijzingen naar roemruchte waterbouwkundige prestaties. Een van de vaders van de Deltawerken, de ingenieur Johan van Veen, zou niet anders verwacht hebben. Het ontbreken van een gevoel van trots bij de Nederlanders over hun waterwerken, was hem een doorn in het oog. In een vierkante betonnen gebouw, nuchter en zakelijk als de Deltawerken, is een expositie over de ramp en de Deltawerken verstopt.

Hagelwitte torens
Langs een rij hagelwitte torens en zwarte schuiven lopen we over de dam naar de Kop van Schouwen. Daar achter het laatste stukje dijk, bekleed met basalt en bitumen, liggen de duinen van het oude land. In een met helm begroeide duinpan treffen we enthousiaste schilders uit de stad. Op hun doeken met zeegezichten, contrasteren felgele stranden met knalblauwe zeeën. Onze route is niet te missen. Eerst naar de eenzame Plompetoren van het verdwenen dorp Koudekerke en dan verder naar een andere lange dominant: de stompe toren van Zierikzee. Bijna twintig kilometer over één dijk langs water, schapen en uitgestrekte akkers met onderweg drie lidtekens van de zee: eerst de Koudekerkse inlaagpolder, dan de sporen van de ramp uit 1953 bij Serooskerke en verder de pas aangelegde zilte graslanden tot aan Zierikzee.

Opgeslokt
De deur van de Plompetoren lijkt dicht. Geen mens te zien. Toch maar even proberen of de zware houten deur echt op slot is. We hebben geluk, je mag er zonder toezicht over de stenen wenteltrap omhoog. De roestvrijstalen koepel opent zich als een schelp naar het dakterras. We kijken uit over een strook land ingeklemd tussen de zeedijk, waar de Plompetoren op staat, en een tweede dijk, de inlaagdijk. De zeedijk werd in 1581 op last van de overheid ook als inlaagdijk aangelegd. Toen kon de toenmalige zeedijk, die een paar honderd meter verderop lag, elk moment ineenzijgen. De inlaagdijk moest het water dan tegen houden. Voor zo’n dijkval hoefden de golven niet tegen de dijk te beuken. De dijk kon ook over honderden meters met donderend geraas in een rustige zee verdwijnen. Knalblauw kon het water zijn, zoals op de schilderrijen in de duinpan van een uur terug. De Hammen, een vijftig meter diepe geul waar het getij het water pijlsnel doorheen jaagt, verplaatste zich steeds verder naar het noorden en vrat in het geniep de dijkvoet weg. Dorpjes als Westkerke en St Jacobskerke waren al eerder opgeslokt. Steeds weer werd een nieuwe inlaagdijk aangelegd, die na een volgende dijkval tot zeedijk werd. Rond 1580 leek Koudekerke aan de beurt te zijn. De bewoners verlieten het dorp. De huizen werden gesloopt en het houten schip van de Plompetoren werd afgebroken en verkocht. Nog eenmaal sloeg de Hammen toe, maar kwam daarna tot rust. De inlaagdijk van Koudekerke werd een permanente zeedijk. Het dorpje had nog kunnen bestaan, zoals de toren die eenzaam achter bleef op de zeedijk. Daar deed hij nog eeuwen lang dienst als baken voor de scheepvaart op de Oosterschelde.

Gaat u rustig slapen
De inlaagpolder, het land tussen de inlaagdijk en de zeedijk, lijkt er bij te liggen zoals Koudekerkenaren hem achter lieten. Rafelige slootjes tussen smalle langgerekte weilandjes. Een natuurgebied waar vogels graag gebruik van maken. Verder langs de deltahoge dijk. Beneden steken betonnen muurtjes uit het talud. Vijftig jaar geleden was dat de kruin van de dijk. Voor velen waren de dijken met zo’n muurtje hoog genoeg. Sommigen, waaronder Johan van Veen, waarschuwden dat ze veel te laag waren. Tegen Elsevier-journalist H.J. Looman zei hij in 1952 dat een nieuwe verwoestende vloedgolf, zo een als de Sint Elisabethsvloed, mogelijk was. De hoofdredacteur weigerde het interview te plaatsen. Aan ‘paniekzaaierij’ had het pas bevrijde Nederland geen behoefte, oordeelde hij. Van Veen kreeg gelijk. Bij Serooskerke steken nu grote betonnen dozen schots en scheef uit de dijk. In het duister van de nacht sloegen op de eerste zondagmorgen in februari 1953 de golven over de muurtjes. Ze holden de dijk aan de binnenzijde uit, waardoor ze braken. Wekenlang voerden eb en vloed zeewater door het gat. Het dichten was pas mogelijk toen de betonnen dozen, caissons, werden gebruikt. Schouwen-Duiveland werd het zwaarst getroffen, behalve de duinen en een gebied in het centrum, liep het hele eiland onder. Terwijl het sneeuwt en stormt klimmen de mensen op hun daken. Het volgende hoogwater, op zondagmiddag, maakt de catastrofe nog groter. Muren storten in, mensen verdwijnen in de golven of worden op vlotten de Oosterschelde op gezogen. In Schouwen-Duiveland zijn 525 slachtoffers te betreuren, waarvan de meeste op Duivenland.

Land terug naar zee?
Vanaf Serooskerke is de toren van Zierikzee ons baken. Het land binnendijks glinstert in de zon. Is het plastic om het jonge gewas te beschermen, of staat er water op het land om de grond te ontsmetten, zoals we kennen van de bollenvelden in de kop van Noord Holland? Na een tijdje wordt duidelijk dat het ondiepe plassen zijn, omgeven door rafelig grasland met blauwgroene sprieten. Dat zijn pitrussen, denken we. Die geven overal in Nederland feilloos aan waar nieuwe natuur in ontwikkeling is. Het is een compensatie voor de natuur die ondanks de stormvloedkering verloren is gegaan. Steeds meer zandplaten verdwijnen. Om watervogels die op de zandplaten rust vonden toch een plek te bieden, zijn aan de binnenzijde van de zeedijken akkers van boeren gekocht en aan de natuur terug gegeven. Volgens sommigen is dat maar het halve werk. Beter is het om polders aan het water terug te geven of zelfs de dam weg te halen. Maar de angst voor de zee leeft na vijftig jaar nog sterk bij de Zeeuwen. Wat Johan van Veen van dergelijke ingrepen zou vinden weten we niet. We kunnen het hem niet meer vragen. Hij overleed in 1959. Pas een jaar later werd als eerste onderdeel van de Deltawerken het Veerse Gat gesloten.

Over de dijk lopen we recht op Zierikzee af. Boven de monumentale ingang van de robuuste toren zit een rode bal klem, onbereikbaar voor wie er mee voetbalde. We laten de eenzame bal achter ons en stappen verder door smalle stille straatjes, waar in 53 het water kolkte, op zoek naar een pan Zeeuwse mosselen ….. uit de Waddenzee