Zonder ezel door de croissant protestant

GR 70, het populaire Stevensonpad, brengt weer leven in de brouwerij van de ontvolkte Cevennes. In de dorpen vindt je sporen van Hugenoten die twee eeuwen lang door het katholieke gezag werden vervolgd, maar nu weer vredig samenleven met de andere bewoners.

Verschenen in Wandelmagazine Op Lemen Voeten 2017-1

Ik ben een nazaat van David Farjon, een katoendrukker uit Zuid-Frankrijk die omstreeks 1700 huis en haard ontvluchtte. De koning dwong hem zijn protestante geloof af te zweren of het land te verlaten. Via Geneve bereikte hij de stad aan de Amstel waar nog steeds het overgrote deel van de Nederlandse Farjonnen woont. David was niet de enige; driehonderdduizend Hugenoten, de Franse naam voor protestanten, kozen eveneens voor hun geloof. Ze kwamen vooral in Zwitserland, Nederland, Duitsland en Engeland terecht. Ook de Schotse schrijver Robert Louis Stevenson, bekend van het boek Dokter Jekyll en Mister Hyde heeft Hugenootse roots.  In het najaar van 1878 wandelde hij door het land van zijn voorvaderen. Hij was er om liefdesverdriet achter zich te laten, ik om de geschiedenis van mijn voorvader David op te snuiven. Hij werd vergezeld door zijn pakezel Modestine, ons reisgezelschap liet de bagage verslepen door een busje.

Tussen de oren
Het gedrongen torentje  van de 12de-eeuwse St. Blasiuskerk reikt maar net boven de grijze huizen van  Chasseradès. Misschien sliep Stevenson in de herberg die nu “Le Relais de Modestine” is gedoopt. Hij schrijft in zijn reisverslag dat zijn avond met vijf landmeters onder het genot van warme wijn genoeglijk was; de nacht met z’n zessen op een kamer met drie bedden was heel wat minder. Hij zou voortaan in de open lucht naast zijn ezel slapen. Al snel zien we het zandstenen spoorviaduct waar Roberts bedgenoten de lijnen voor uit zetten. Hoog boven het gehucht Mirandol kruist het spoor het dal van de Chasseradès. Het beekje steekt schamel af bij de imposante bogen. Twee Franse dames schieten tussen de oren van hun ezels een kiekje van de fotogenieke brug. We zullen deze ezels met knalrode zadeltassen vaker inhalen.

De hele ochtend stijgen we langzaam door de velden rond het gehucht l’Estampe naar de beboste bergrug van Goulet. Het bos bestaat vooral uit donkere sparren. ’s Middags zakken we af door bos totdat weiden onze volgende overnachtingsplek aankondigen: het dorpje Le Bleymard. De bronnen van de rivier de Lot, hier nog maar een Lotje, doorbreekt het bos dat ons het zicht ontneemt.

Granieten palen
Dat patroon herhaalt zich vrijwel elke dag. Alleen de hoogste barrière van de tocht, de Mont Lozere met zijn 1699 meter, is een fraaie uitzondering. Na het skistation lopen we door laag kreupelhout en heide naar de vlakke top. Vandaag is het uitzicht weids. Een rij granieten palen leidde Stevenson en Modestine door de dichte mist. Tot zijn spijt kom hij boven geen zeilen op de Middellandse Zee ontwaren. Ondanks het goede zicht lukt dat ons ook niet. Maar wat zien we tussen de grote granietblokken die hier rondgestrooid: twee bekende ezels eten hun buikjes vol. Wij dalen snel af door het bos.

Tussen de groene kropjes sla en de frisse prei in het granieten gehucht Finiels staan twee oude grafstenen. “Daar liggen mijn voorouders“, grijnst Lucile Pantel, de eigenaresse van een natuurcamping avant-la-lettre. De tenten staan wijd uit elkaar tussen granietrotsen in bloeiend hooiland. Het water ruist door een smalle beekje naar een watermolentje. “Hugenoten mochten vroeger niet op een katholieke begraafplaats begraven worden. Nu is dat anders, ik ga gewoon naar de begraafplaats.” Ten zuiden van de kale berg begint de ‘croissant protestante’: het land van de Hugenoten. De plekken waar Hugenoten in de 17de eeuw woonden liggen geconcentreerd in een lange boog vanaf Geneve via deze streek naar La Rochelle aan de Atlantische kust. “Het calvinisme verspreide zich langzamerhand van Geneve naar de Languedoc. Het gedachtengoed van Calvijn sloot goed aan bij

het onafhankelijke karakter van de bewoners deze ruige streek.

Geroezemoes langs de Tarn
Tussen witglimmende rotsen door lopen we het dorpje Le Pont-de-Montvert in. Kloeke granieten huizen nemen de plaats van rotsen in. De rust van de velden met stenen muurtjes en varens heeft plaatsgemaakt voor het geroezemoes van de terrasjes langs de rivier de Tarn. De vermoeidheid in onze benen spoelen we gulzig weg met Pernod en Duvel. Om ons heen is het vooral Frans wat de klok luidt. Onder gekleurde parasolletjes en platanen zit de wonderlijke Franse mix van jong, oud, intellectueel en arbeider te kletsen: Onvermijdelijke mannen in blauwe overalls, de loslopende hond met zakdoek om zijn nek en ook de naar patchoeli geurende hippiemeisjes zijn er nog steeds. Of de tijd hier veertig jaar heeft stil gestaan. Een Franse oase tussen de stadjes die in de zomermaanden worden overgenomen door buitenlandse toeristen.

Of ze het huis van abt Chayla weten, vraag ik twee vrouwen in bloemetjesjurken. Daar overnachtte zo’n 300 jaar geleden de belangrijkste inquisiteur. Ze wijzen naar een hoog huis met rode luiken aan de andere kant van de brug. “Dat huis is nieuw. Om de abt te pakken te krijgen, staken woedende Hugenoten het huis in de fik. De abt sprong uit het raam en eindigde op de calvinistische mestvorken”, gruwen de vrouwen. Het was het begin van een bloedige oorlog. Het Koninklijke leger branden Hugenotendorpen plat, vrouwen werden opgesloten en mannen eindigden als galeislaaf. Ook een Farjon werd aan de riemen geslagen. In een museum lees ik dat Louis uit Chasensac in 1747 is veroordeeld en, gelukkig, twee jaar later ontsnapt. De Hugenoten beten van zich af, maar acht jaar later was het verzet gebroken. Het openlijk belijden van het calvinisme werd pas weer mogelijk na de Franse Revolutie.

Kastanjes en schist
Het landschap verandert ingrijpend halverwege. Na het toeristische stadje Florac, met zijn ingenieuze watersysteem gevoed door een onderaardse rivier, komen we geen granietblok meer tegen. Vanaf nu lopen wij over een schrale schistbodem. Er zijn minder velden en gehuchten. Slechts af en toe passeren we een alleenstaande  boerenhoeve. Nu hebben stedelingen ze opgeknapt en in gebruik. Het donkere bos licht regelmatig op waar het gekartelde blad van  tamme kastanjes een zacht  licht doorlaat. Stevenson is helemaal lyrisch als hij ’s ochtends in een kastanjegaard ontwaakt: “De herfst had gouden en rossige tinten op het groen geworpen, de zon schitterde tussen de grote bladeren door, zodat iedere boom zich losmaakte van de ander of van een verder gelegen heuvel, niet in schaduw maar in licht…”

“Kijk wat een grappige garage”, roept wandelgenoot Fabio enthousiast. “Je kunt het stenen huis van de weg inrijden, maar de andere kant kun je een verdieping lager naar binnen.” Bernard, de eigenaar van de garage komt poolshoogte nemen. “Het is een voormalige ‘clède’, een droogschuur voor kastanjes. Bovenin werd de kastanje-oogst gestapeld waarna men in het souterrain een vuurtje aan stak. De kastanjes worden pas vanaf oktober geoogst. Dan verdwijnt hier alles onder een klamme mistdeken en droogt niets.” Voor de bewoners van de Cevennes was de tamme kastanje eeuwenlang het hoofdbestanddeel van hun eten. Men bakte brood van kastanje meel en smeerde er kastanje stroop op. Nu kan je langs het pad overal kastanje ijs kopen. Het kan ons maar matig bekoren. Gelukkig hebben ze de vrucht niet in het Stevensonbier verwerkt, een streekproduct waar we wel graag naar grijpen. Na een uitbraak van een kastanjeziekte werd zwaar honger geleden. Was de verwoestende vorst van 1709 nog een zegen omdat er ruimte ontstond voor de zeer lucratieve zijdenteelt op moerbeibomen, in de tweede helft van de 19de eeuw sloegen de zijdemot en de inktziekte hard toe. Zo hard dat in korte tijd een derde van de bewoners de Cevennen verlieten en hun heil zochten in de fabrieken in lager gelegen dalen.

Alleen het laatste stukje van onze tocht, langs de stroomversnellingen van de rivier de Gradon lopen we door kastanjegaarden die niet zijn overwoekerd. De stekelige vruchten zijn al groot. Vroeg in de middag lopen we over een stenen brug St-Jean-du-Gard in. De drukke markt loopt op zijn einde. Hier verkocht Stevenson zijn Modestine. “Winst maakte ik nauwelijks, maar ik verdiende er wel mijn vrijheid mee terug” schrijft hij opgewekt.

 Aan een groot plein langs de rivier staat een sober kerkgebouw, eigenlijk een groot huis. Een kerktoren ontbreekt, de klok hangt in een poortje bovenin de nok van de voorgevel. “Dit is geen uitbundige gedecoreerde katholieke ‘eglise’ maar een hervormde ‘temple’ ”, vertelt Marlies Voorwinden, de Hollandse dominee van deze gemeente. In alle dorpen na Mont Lozere zagen we steeds twee kerken, hier in St-Jean heb je er drie.  “Er was een hervormde en een gereformeerde tempel. Sinds we zijn gefuseerd gebruiken we er nog maar een.”

Praktische informatie 

Het gemarkeerde Stevensonpad is 252 km lang en loopt door het middelgebergten van de Haut-Loire en de Cevennes van Le Puy-en-Velay naar Alès. Het noordelijke deel is minder hoog en steil dan het zuidelijke. Hoogste punt is Mont Lozere met bijna 1700 meter.

Bereikbaarheid
Start- en eindpunt zijn goed per trein uit Nederland te bereiken, lokaal is er soms goed busvervoer.

Voorzieningen
Voor een actueel overzicht van horeca en overnachtingsmogelijkheden zie www.chemin-stevenson.org Daar vind je ook hoe je zelf bagagevervoer kan regelen of een pakezel kan huren. Wij boekten overnachtingen met half-pension en bagagevervoer bij een wandelreisorganisatie.

Achtergrondinformatie
De Topoguide GR70 geeft goede routebeschrijving in het Frans. GPS tracks zijn onder meer te downloaden via Wikiloc.
Robert Louis Stevenson. 2014. Reizen met een ezel door de Cevennen. Uitgeverij Hoogland & Van Klaveren.
Dirk Hilbers. 2009. Cévennes and Grand Causses – France. Crossbill Guides. KNNV Uitgeverij.
John Merriman. 2003. De Stenen van Balazuc; de geschiedenis van een Frans dorp. Uitgeverij Bert Bakker.
www.museedudesert.com in Mialet geeft veel informatie over de Hugenoten in de Cevennen.
www.cevennes-parcnational.fr met informatie over verschillende bezoekerscentra, b.v. in Le Pont-de-Montvert.