Klimmen naar Sint-Patricks bed

Sint-Patrick is de patroonheilige van de Ieren. In de vijfde eeuw kerstende deze Engelse monnik het groene eiland. Overal zijn plekken die naar hem verwijzen. Dat hij daar allemaal in zijn korte leven geweest is, lijkt onwaarschijnlijk. Op de laatste zondag van juli, Reek Sunday, beklimmen zo’n twintigduizend Ieren de berg Croagh Patrick.

 

Meer foto's

Verschenen in: Op Lemen Voeten 4-2015

De zon schijnt fel tussen de buien door. Met zijn vieren glibberen we in ganzenpas over een nat knuppelpad door het uitgestrekte veenmoeras van Doitin an Aonchrainn ten noorden van Oughterard. Er lijkt geen eind aan te komen. Maar liefst vijf kilometer lang is het plankier. Zo’n 600.000 krammetjes rekenen we uit. In het hout getimmerd om te voorkomen dat we uitglijden, in de prut belanden en de zachtpaarse bloempjes van het teer guichelheil vertrappen. Voor de wandelaars op het lange afstandspad Western Way is het knuppelpad een welkome afwisseling. Hier kun je heerlijk lopen waar je elders op het asfalt moet blijven. Direct buiten de asfaltweggetjes tiert overal onbegaanbaar veenmos. De rozerode zonnedauw en het gele beenbreek groeien er net zo uitbundig als de brandnetel en paardenbloem bij ons thuis. Tussen de ruige begroeiing glinstert steeds het water. De angst om als veenlijk te eindigen zit er diep in sinds ik lang geleden bijna kopje onder ging in het Bargerveen. Op het asfalt blijven, er zit niks anders op.

 

De vogelpas

Gelukkig zijn de wegen op een uitzondering na uitgestorven en kun je genieten van het fenomenale lege landschap. Regelmatig liggen er turfjes te drogen. Alleen een loslopende koe achtervolgd door een boer in zijn auto valt ons lastig. Het licht valt aan het einde van de middag prachtig door de wolken op het brede Inagh-dal. In het westen reiken de grijze toppen van de Twelve Pins tot bijna 1000 meter. Via Mam Ean, de Vogelpas in de Mamturk Mountains, zijn we het weidse Connemara binnen gelopen, net als lang geleden Sint-Patrick. Ook hij beklom de pas uit het oostelijk gelegen Joyce County, zegende Connemara, maar ging het niet binnen. Het stenen bed waarop Patrick uitrustte staat er nog.

De klim van 400 meter omhoog is kort maar steil. De westerstorm en de striemende regen doen ons regelmatig stoppen. Boven biedt alleen een nis in de rotsen met altaar beschutting. We zitten knus op elkaar naast andere wandelaars. De kapel is potdicht. Verder staan er op de pas nog een paar stenen kruizen en een beeld van Sint-Patrick. Allemaal van donkere, natte stenen. Ze lijken net zo oud als de pelgrimage naar deze plek, die rond het jaar duizend zou zijn begonnen, maar waarschijnlijk is terug te voeren op een van de belangrijkste Keltische feesten, Lughnasa. De Kelten vierden rond 1 augustus de overwinning van Lugh over Balor, de start van de oogstmaand. De katholieke kerk bouwde dit feest om naar de verdrijving van de stier Crom Dubh door hun heilige. Patrick wist hem in het meertje op de pas te verzuipen. Achter het altaar horen we dat de kapel maar dertig jaar oud is. “Rond 1920 hebben de plaatselijke autoriteiten het patroonsfeest verboden. Ze waren het zat dat jongeren uit het westelijke Connemara en het oostelijk Joyce County elkaar met wandelstokken de hersenen insloegen. Niet wat men zich bij een patroonsfeest voorstelt”, grijnst Vincent. De oorspronkelijke kapel verviel tot een ruïne en werd pas in 1987 opnieuw opgebouwd, nadat een plaatselijke pater de pelgrimsmis weer in ere had hersteld.

 

Blackfaces

“Het is begin augustus maar de schapen heb ik nog niet kunnen scheren. Hun vacht is als een spons, vol gezogen met regenwater. Soms vallen ze gewoon om. Zo zwaar zijn ze”, moppert onze gastheer, boer Patrick. Hij staart uit het raam van zijn gele huis over het donkere water van Lough Inaugh en vertelt dat het tot nu toe een zeiknatte zomer is geweest. “Het loont al jaren niet meer om de schapen te scheren, de opbrengst van de wol weegt niet op tegen het scheerdersloon dat ik moet betalen. Die Aussies maken alles kapot met hun 150 miljoen stuks.” Hij heeft nu alle tijd om ons te ontvangen en nog twee vakantiehuisjes te runnen. Afgezien van het hotel even verderop zijn er nauwelijks andere huizen te zien. “Kijk, mijn dochter woont achter die berg daar verderop”. Tien kilometer weg is hier heel dichtbij, zover woont iedereen uit elkaar.

Langs het pad steken regelmatig oude, grijze muren uit groene veenmoshopen. Het zachte mos overgroeit langzaam maar zeker de harde steen. De huizen zijn tussen 1845 en 1850 verlaten toen de bevolking werd gedecimeerd tijdens de Great Famine. Deze hongersnood was het gevolg van misoogsten, een aardappelziekte en de onwil van de Engelse grootgrondbezitters om hun voorraadschuren te openen en de honger te lenigen. Hier in het lege westen van Ierland bleef maar een derde van de bevolking achter. Daarvan stierf de helft, de rest vluchtte de oceaan over naar Amerika.

Schapen komen we heel wat meer tegen, vooral de mysterieuze Blackfaces. Meer dan we na de sombere verhalen van boer Patrick verwachtten. Later in het Sheep and Wool Centre te Leenaun, waar ze de geschiedenis van de schapenteelt en de lokale wolindustrie uit de doeken doen, horen we dat de Europese subsidies de schapenhouderij heel wat aantrekkelijk maken dan onze gastheer beweert.

 

Stenenrivier

Na een prachtige tocht langs het fjord Kilnary Harbour met zijn mosselkwekerijen en de snelstromende Enriff rivier waar de zalmen over de stroomversnellingen springen, zien we aan het einde van de dag een kale bergtop opdoemen. Hoger dan alle omliggende. De top is rond van Croagh Patrick, de berg Patrick. Aan de oostzijde loopt een steil pad waarop een lange sliert mensen te zien is die omhoog klimt. Wij moeten nog een nachtje wachten voordat we de pelgrims achterna kunnen.

Onze klauterpartij naar Croagh Patrick begint ‘s zondags vroeg. De zon verlicht nog even de witte plasticzakken met vers gestoken turven op de zwarte veengrond aan de zuidzijde van de berg. Al snel lopen we door de mist die de hele berg omhult. Het is nog stil. Voor de meeste pelgrims is het nog te vroeg. Wat er nog aan geluid is, wordt door de mist gesmoord. Het brede pad lijkt wel volgestort met grijze stenen. Deze ‘stenenrivier’ maakt het klimmen zwaar, vooral op het laatste, steile stuk onder de top. Het lijkt wel of de berg zich verzet tegen de komst van de enorme kudde pelgrims die hier naar boven trekken. De eerste tegenligger is een Japanse in regencape op blauwe rubberlaarzen. “Je bent er bijna,” roept ze me bemoedigend toe. Even later wordt het vlak en doemt er een witte kapel op uit de mist. Net als op de Vogelpas is ook hier een stenen bed. Patrick bleef wel veel langer. Maar liefst veertig dagen bad hij hier om Ierland van de slangen te bevrijden. Nog steeds is het land slangenvrij.

De wind maakt het ook op deze hoge plek koud. Helaas zijn alleen de offerblokken 24/24 geopend, de deuren van het kerkje geven geen krimp. Alleen op hoogtijdagen zoals Reek Sunday gaan die open. “Rather disappointing”, klaagt Patrick die vanuit Ulster hierheen is gereisd. Hij had naar boven willen rennen, maar het is gewoon te steil geeft hij toe. De sportieve prestatie blijkt voor de meeste pelgrims, die ik tijdens de afdaling in steeds grotere getale tegenkom, een belangrijker motief dan boetedoening. Iedereen vertelt graag hoe vaak hij of zij boven is geweest. Maar er is ook iets anders, de traditie die door gegeven moet worden. Een man van in de zeventig in donker pak loopt met zijn zoon en kleinkinderen. “Je kunt aan hun lach zien, hoe fijn ze het vinden”, lacht hij als enige. “Voor mij is dit de laatste keer.” Verder beneden rennen vier jonge ADHD-ertjes met wandelstokken omhoog. Op hoge toon sporen ze hun tante Evelyn aan die moeizaam achter ze aan loopt. “Je schreeuwt niet op een heilige berg”, weet ze er nog net uit te gooien. Ze doet het voor haar zus, die zo thuis een dag rust heeft. Of tante samen haar neefjes boven zal komen, dat is nog maar de vraag.

Niet alleen de aangename werking van de zwaartekracht maakt de afdaling tot het hoogtepunt van de tocht. Het uitzicht is fenomenaal. De zon is doorgebroken en werpt zijn licht op het donkere water en de vele eilandjes in Westport Bay. De zandstranden en een witte vuurtoren lichten op. Fluitend gaan we op weg naar Westport, het enige stadje langs ons pad. Daar wachten na de leegte de knusse pubs vol mensen en muziek.