Bruno Taut, de toekan onder de modernisten

Sinds 2008 zijn zes Berlijnse woonwijken Werelderfgoed. Bruno Taut, de belangrijkste ontwerper van deze modernistische wijken, doopte zijn huizen in bonte kleuren. Toekans zijn het in vergelijking met de witte creaties van andere modernisten zoals Walter Gropius en onze Gerrit Rietveld.

De eerste dagen van het nieuwe jaar zijn de Berlijnse straten en parken bezaaid met de zielige resten van rotjes en vuurpijlen. Nederlanders blijken niet de enige Europeanen die massaal knallend het oudejaar verdrijven. Ook de Berlijners kunnen er wat van. In het Ernst Thälmannpark is een groep vrijwilligers met blauwe zakken en prikstokken in de weer. Het winterzonnetje maakt het een aangename buitenactiviteit. Vader en zoon bezemen de sokkel van een uit zwart natuursteen gehakt DDR-beeld van Ernst Thälmann, visionaire blik, gebalde vuist. Het lijkt wel of de KPD-leider tijdens de Weimar Republiek nog steeds hun idool is, zo toegewijd vegen ze. Betonnen woontorens en lange gevelwanden steken boven de bomen van het park uit. Deze flats van Bijlmerachtige allure waren het paradepaardje van de voorzitter van het Duitse ‘arbeidersparadijs’, Erich Honecker. Trots leidde hij er zijn collega’s van bevriende mogendheden rond. Nu symboliseert de wijk, evenals de Bijlmer in ons land, het einde van het modernisme in de woning- en stedenbouw. Een 20ste eeuwse architectuurstroming die ook in deze stad zijn sporen naliet.

Weg met de sombere binnenhoven

Brede straten, veel bomen en statige gevels met balkons gedragen door gestuukte engeltjes geven de 19de eeuwse wijken Prenzlauerberg en Kreuzberg een Quatier Latin-achtige uitstraling. In de restaurants kun je het hele scala van geurende gerechten uit wereldkeuken tot je nemen; alleen de streekgerechten zoals Schweinebein en Bockworst zoek je hier tevergeefs. In deze trendy wijken valt op het eerste gezicht niet te begrijpen waarom als reactie op deze statige bouw na de WO I het modernisme is ontstaan. Wat er zich achter die fraaie façaden bevindt kun je goed zien op Google Earth: een doolhof van donkere binnenhoven, stampensvol met sombere huurkazernes en fabrieken. Eind 19de eeuw werd dit in rap tempo uit de grond gestampt om de gigantische toestroom van migranten uit Midden-Europa te huisvesten. Ze zochten hun heil in wat al snel de vierde stad van de wereld zou worden. De volgende golf kwam na de ellende van de Grote Oorlog. Ook daar moest in rap tempo en goedkoop voor gebouwd worden. Maar deze keer was het motto van de woningbouwcorporaties, die de plaats van de huisjesmelkers hadden ingenomen: licht, lucht en ruimte, weg met de bedomptheid van de binnenhoven.

Verfdoosnederzetting

We beginnen bij de oudste van de zes modernistische wijken: Gartenstadt Falkenberg uit 1913 van architect Bruno Taut. Na een halfuurtje met de S-Bahn vanuit het centrum, waar Honeckers blokkendozen plaats maken voor huisje boompje beestje architectuur, moeten we eruit. Een landweg voert naar de tuinstad, een wijk met puntdaken, raamluiken en tuintjes. Niet direct wat je bij een modernistische wijk verwacht. Het is de kleur die het ouderwetse heel bijzonder maakt. Hoog op het talud staat een huis hemelsblauw te wezen. Anderen lijken in rode, gele en zwarte verf gedoopt. Het moet in 1913 een verplettende indruk hebben gemaakt. Maar mooi vonden ze het meestal niet. ‘Tuschkastensiedlung’, verfdoosnederzetting, noemden ze de wijk smalend, vertelt een bewoner vanuit zijn tuin. Het verhaal ging dat wie er woonde heil zag in naaktlopen en beslist geen alcohol dronk. Een ouder echtpaar komt arm in arm de straat in gelopen met ieder een maretak in de hand. Of ze hier wonen, willen we weten. “Ja, en met veel plezier”, lacht de vrouw. Ze is omstreeks de zeventig met een breed vriendelijk gezicht. Haar ouders woonden hier en haar opa en oma ook. Nee, de raamluiken doen ze nooit dicht. Een puntje van kritiek hebben ze wel: “Het toilet is boven en dat is lastig als je ouder wordt.” Aan de overkant van de straat worden we gadegeslagen door een gezette man met open geslagen boek in de hand. “Wat zeiden die mensen,” vraagt hij even later nieuwsgierig. De man is directeur van de kunstacademie in Moskou en ‘begeistert’ door het kleurgebruik van Taut. “Zijn huizen maken mij blij”, zegt hij. We bladeren even door zijn boek en stuiten op een Alpenkroon, een glazen tempel waarmee Taut Alpentoppen wilde bekronen. “Hij heeft ook in Moskou gewoond en gewerkt”, zegt de directeur trots.

Het einde van het puntdak

Taut bouwde tussen 1924 en 1931 bijna 12.000 woningen in Berlijn en was intensief betrokken bij vier van de zes Werelderfgoedwijken: Naast Falkenberg in chronologische volgorde Siedlung Schillerpark, Hufeisensiedlung en Wohnstadt Carl Legien. In deze wijken heeft Taut de puntdaken afgezworen en kiest hij voor strakke, geometrische vormen van het functionalisme. Meestal glad gepleisterde muren, maar schoonmetselwerk kan ook, zoals de door de Amsterdamse School geïnspireerde baksteenarchitectuur van Siedlung Schillerpark. Dat heeft wel een prijs, want in deze wijk heeft Taut alleen de deuren een likje ‘Mondriaan’ gegeven. In Wohnstadt Carl Legien, in de volksmond ´Papageien-Viertel’, spetteren de kleuren weer van de muren. We treffen er een bewoner die verlangt naar de goede oude tijd. “Ik huurde mijn woning voor 94 DDR Mark per maand inclusief gas, water licht en afvalafvoer. Afhankelijk van de wisselkoers die je hanteert is dat 4 tot 100 euro.” De gepensioneerde tolk Duits-Russisch begint steeds enthousiaster te vertellen. “De bankencrisis van 2008 heeft toch duidelijk gemaakt dat de DDR zo gek niet was. Onderwijs en gezondheidszorg waren superieur aan het huidige systeem.” Zijn aanvankelijk genuanceerde verhaal over Berlijn van na de Wende bladert af. Al pratend komen de goede herinneringen terug. “Arts en verpleegster woonden naast elkaar.” Dat moet hier nog steeds zo zijn. Verhuislustig zijn de Ossies niet: wie blijft betaalt een lage huur, wie verkast is de klos. De licht okergele wanden van de flats steken af tegen de kale zwarte bomen. Aan de straatzijde zijn de enige kleuraccenten het rood, blauw, geel en groen van de houten deuren en de raamkozijnen. Ze lijken wel van staal, zo dun zijn ze. Aan de tuinzijde is de kleurgebruik als van ouds, de wanden zijn per blok steeds met een andere primaire kleur getooid. Een Nederlandse bewoner roemt het rationele interieur. “Ondanks de 60 vierkante meter vloeroppervlak kun je er veel kwijt.”

Huisnummer 34

Terwijl de meeste modernisten vanwege een optimale zoninval kiezen voor strokenbouw, wijkt Taut daar in de Hufeisensiedlung vanaf. De wijk ontleent zijn naam aan een huizenblok in de vorm van en hoefijzer dat een groot grasveld met vijver omsluit, een groen plein in het hart van de wijk. Bij ‘Bruno Taut Seniorenfreizeitstätte’ zingen bejaarden over wandelen in de regen. Best mooi, we blijven een tijdje luisteren voor het open raam. Bij de bakker klaagt een bewoonster dat ze van de woningbouwvereniging haar balkon niet met glas mag afsluiten om zo de stookkosten terug te dringen. Het aanzicht van Werelderfgoed mag niet veranderd worden, begrijpen we. Maar alles zit daardoor wel mooi in de verf, denken we.

Ende das Idylle?’ staat er op een affiche, een tentoonstelling over de wijk. We lopen er heen, maar helaas: eergisteren de laatste dag. De suppoost heeft weinig te doen en wil zijn tijd wel doden met de onze. Enthousiast vertelt hij over de grote belangstelling voor ‘Ende das Idylle?’ Vijftig verschillende ‘Mondriaan’ deuren uit de wijk stonden in een cirkel opgesteld, bij elke deur de geschiedenis van de bewoners. In de Onkel Herse Strasse nummer 41 woonde tot 1933 Krautter en zijn vrouw met hun vier zonen. De ouders waren socialist en hun jongens overtuigde communisten. Toen kwamen de Nazi’s en werden zij samen met Joden en anarchisten verdreven. Op nummer 34 nam Adolf Eichmann met zijn gezin hun plek in. Die kennis zou voldoende moeten zijn, maar we willen nummer 34 toch in het echt zien. Vanaf de hoek van de straat gluren we naar het huis. Een man met hond gaat bij de buren naar binnen, verder gebeurt er niets rond het huis waar Frau Eichmann haar man, op weg naar de Sicherheitsdienst, moet hebben uitgezwaaid.

Taut, door de Nazi’s aangemerkt als ´Kulturbolschewist` zou in 1933 vluchten. Eerst naar Japan, waar hij aan een achitectuurinstelling werkte. Later werd hij hoogleraar in Turkije, het land waar Taut in 1938 overleed.