Van droomkasteel naar middeleeuwse burcht

Aan het einde van de Middeleeuwen was Brussel al een belangrijke stad. Een ring van kastelen verdedigde de Brusselaars tegen het vijandig ommeland. Wij liepen over GR 512 Vlaams Brabant van het droomkasteel Gaasbeek naar de kloeke burcht van Beersel.

Tekst: Hans Farjon & Bert Stok
Meer foto's

In de donkere vijver van kasteel Gaasbeek drijft het laatste ijs. Een perfect ronde ijsschots zweeft mysterieus vlak onder het wateroppervlak. Twee dagen geleden lag hier nog een pak sneeuw en was het tien graden onder nul, nu lijkt de lente schuchter te beginnen. Vogels fluiten, maar speenkruid en hoefblad houden zich nog schuil onder de grond. Brrr, er valt een koude druppel water in mijn nek als we een van de vele zalen in het kasteel binnengaan. Alle muren zweten hier, de vochtige lucht condenseert op de massieve wanden die nog ijs en ijskoud zijn. Er is al maanden niet gestookt, dat is duidelijk.

De met neogotische gewelven overspannen ridderzaal vormt het architectonisch hoogtepunt van Gaasbeek. Een indrukwekkende kaarsenkroon - een bol met wel dertig armen - hangt statig in het midden. De ridderzaal was oorspronkelijk een donkere besloten ruimte, maar markiezin Arconati Visconti brak de muren open waardoor je nu prachtig uitkijkt over het golvende groene Pajottenland. Even moeten we denken aan ‘licht, lucht en ruimte’, het ontwerpprincipe van het Nieuwe Bouwen uit 20e eeuw, maar door al het glas-in-lood laten we die gedachte meteen weer varen.

Twee gezichten

De markiezin - geboren als Marie Peyrat in een Frans burgermilieu - zag het kasteel voor het eerst in 1884, enkele jaren nadat ze het erfde van haar overleden echtgenoot. Mooi lag de erfenis er niet bij, want de Visconti’s meden de plek nadat een van hun kinderen er een halve eeuw daarvoor aan tyfus overleden was. Desondanks werd de markies gegrepen door het vervallen kasteel. De verbouwing door architect Charle-Albert tot droomkasteel zou haar levenswerk worden: een stoere gesloten burcht naar middeleeuws model, maar ook een plek om aangenaam te vertoeven. Dat werd bereikt door de grote ramen aan de voorgevel dicht te metselen en de muren aan de binnenplaats juist open te breken. De hele achtergevel is uitgevoerd  in strakke neorenaissancestijl met als pronkstuk de deurpartij met neogotische spitsbogen. Een gebouw met twee gezichten, ook in bouwtechnisch opzicht. Balken en kolommen lijken gemaakt van stevig eikenhout, maar als de gids haar map met aantekeningen door een kier in een kolom duwt, glijdt die eerst soepel naar binnen en stuit dan op een gietijzeren kern. De droom van de markiezin om aangenaam te wonen in het verleden was alleen mogelijk door de modernste technieken te gebruiken.

Page kostuum

Met een erfenis van 17 miljoen goudfrank hoefde de Markiezin niet op een paar centen te letten. Ze bouwde wat haar mooi leek en ook bij de inrichting van de zalen smeet ze met geld. Waar de gasten vertoefden ligt het accent op neogotische en neorenaissance elementen.

Voor de meer persoonlijke vertrekken gaf ze de voorkeur aan galante Lodewijkstijlen. Daar staat op de schouw een foto van de Markiezin gehuld in pagekostuum. Zou ze zo gekostumeerd in de badkamer hebben gestaan, een ruimte die ze tot spiegelzaal omtoverde? De privé-vertrekken zijn behaaglijk warm, hier zit geen condens op de muren. De vorige conservator liet cv aanleggen en ging er wonen, want een Visconti komt er niet meer: aan het eind van haar leven schonk de markies het kasteel aan de Belgische staat. De gids van Gaasbeek zou nog wel uren enthousiast verder kunnen praten. Ze is “gebeten” door Gaasbeek en vooral door de markiezin: “Ze rolde haar eigen sigaretjes”.

Route du Paris

Aan het einde van een laan in de tuinen van Gaasbeek steekt het silhouet van een triomfboog scherp af tegen de schelle winterhemel. Door die Porta Triumphalis willen we het landgoed verlaten. Paul Visconti, een voorganger van de Markiezin, liet de boog bouwen als begin van een weg die rechtstreeks naar zijn grote held Napoleon moest leiden. Route du Paris bleef een droom. Wel kreeg Paul van de keizer een snuifdoos cadeau, die in het kasteel te bewonderen valt. Wie toch, zoals wij, richting de Franse hoofdstad wil lopen, vindt een hoog hek op zijn weg. We verlaten het park via de reguliere uitgang.

De vette klei van de geploegde akkers glinsteren in de laagstaande zon, net krachtig genoeg om ons wat op te warmen. Over de modder van het ontdooide land  glibberen we voort. Takken en boomstammen grijpen we vast om op de been te blijven. Wat moet het vroeger moeilijk zijn geweest om ’s winters over deze onverharde wegen vanuit Brussel naar kasteel Gaasbeek te rijden. Hoe zullen de voerlieden gevloekt hebben als ze hun paarden  door de prut joegen. De grote stad lijkt hier nog steeds ver weg. Alleen het geruis van auto’s verraadt dat velen zich naar het Europese regeringscentrum spoeden. Over het golvende land spieden we naar kasteeltorens, maar zien alleen een reusachtige telecommunicatietoren met een plompe voet. Die stevige onderkant is hem aangemeten toen zijn voorganger zo´n tien jaar geleden door een storm werd omgeblazen.

Vergeetput

Vanaf een heuvelrug bij Beersel kijken we uit over de Zennevallei. Daar zien we dan toch een paar kloeke torens boven het nog kale bos uitsteken. Even later staan we oog in oog met een kasteel zoals we dat kennen uit de strips over De Rode Ridder: een stoere burcht met slotgracht, ophaalbrug en hoektorens. Eigenlijk  zouden we te paard door de poort willen, maar een ambtenaar van de gemeente neemt ons mee naar binnen voor een rondleiding. Boven op de kasteelmuur stappen we bijna in een van de vele werpgaten bedoeld om brandend pek of hete olie op de vijand te gooien. Beersel is een kasteel zoals de markiezin zich wenste voor de buitenkant van Gaasbeek. Alleen heeft deze burcht ook rond de binnenplaats zijn gesloten karakter behouden. Nadat het ruim een eeuw leegstond, werd dit middeleeuwse kasteel een museum, het meest gave van België. Een populaire bestemming voor schoolreisjes. Vanuit een duistere ridderzaal voert een wenteltrap naar een ruimte met marteltuig. Niet origineel, maar neergezet om de kindergeest te prikkelen. Ook de vergeetput op de binnenplaats slaat de gids nooit over. Lezers van  Suske en Wiske kennen deze put uit De Schat van Beersel. In dit stripverhaal, uit de beroemde blauwe reeks, gooit de slotheer de valkenier in die put nadat zijn zoontje per ongeluk zijn prijsvalk liet ontsnappen. Onze gids  hoopt op een snel einde van de grondige restauratie die momenteel plaats vindt: “Bruidsparen worden ongeduldig. Ze willen trouwfoto’s zonder steigerwerk op de achtergrond.

Lambiek

Verzadigd door het bombardement van jaartallen dat we ook in dit kasteel te verwerken krijgen, lopen we de frisse lucht weer in. Het pad voert door de rafelrand van dorp en stad, die in Vlaanderen zo vaak is uitgedijd tot een aangenaam rommeluniversum vol verassingen. Een straatje met witte vila’s, strak geschoren sparrenheggen en gemillimeterde gazons eindigt in een rijk van  ponyweiden en keuterboerderijtes, knalgele containers liggen er verloren in de groene wei. Hoe zal een Nederlandse welstandcommissie oordelen over de rietgedekte boerenhoeve waar cold-turkey een betonnen woonkubus tegen aan is geplakt. De trein brengt ons terug naar Brussel. Daar kopen we twee mega-zakken friet. Die nemen we mee het café in, dat mag in Brussel, althans in de etablissementen rond Place Jourdan. Dorst lessen we met een geuze-lambiek, een zurig zwaar bier uit de Zennevallei waar kasteel Beersel ooit over waakte. Zou de Lambiek uit Suske en Wiske er naar vernoemd zijn?