Terug met Jan Erik Burger - “En zoet Holland lag voor mij beneden”

Het watermolentje van Park Groenendaal“Daghap quinoa met portobello” staat met witte letters op het bord voor restaurant Nurks in de Hout. Dat dit gerecht ergens in Nederland op de kaart zou staan was 27 jaar geleden onvoorstelbaar. Wat zou er sindsdien nog meer zichtbaar veranderd zijn, dat vroegen wij ons af, toen ik samen met de toenmalige auteur een groot deel van zijn prachtige wandeltocht tussen Haarlem en Vogelenzang opnieuw beleefde.

 

 “En zoet Holland lag voor mij beneden” is een citaat uit de dichtbundel “Hollandse Duinzang” van Jacob van Lennep dat  Jan Erik Burger als titel meegaf aan een Op lemen voeten-artikel uit 1987. Hij wandelde vanaf Station Haarlem door de binnenstad en het eeuwenoude stadsbos Haarlemmerhout om met een lange boog door de lommerrijke woonstede Heemstede, glorieuze buitenplaatsen en de rijke natuur van de Amsterdamse waterleidingduinen op station Zandvoort te eindigen. Eigenlijk zou de redactie het artikel zo weer kunnen plaatsen, want het is zeker niet gedateerd. Actuele kwesties of sfeerbeelden uit die tijd ontbreken geheel. Wel is er een uitvoerige beschrijving van de geschiedenis van de stad en de vele buitenplaatsen van rijke Amsterdammers, die hier de stank van de hoofdstad ontvluchten. Regelmatig haalt hij weemoedig aan wat er zoal verloren is gegaan. Maar afgezien van het lawaai van het toegenomen verkeer in de Hout gaat het in zijn verhaal om veranderingen die al lang geleden hebben plaatsgevonden: het dempen van grachten, het kappen van bomen en het slopen van een Belvedère in Park Groenendaal. De jongste historie in dit verhaal dateert van 1965.

Het verhaal uit 1987 is te downloaden onderaan deze pagina

 

“Mijn tandarts is zeventig en nog steeds bij zijn eerste vrouw!” voegt de man in groene pullover ons met twinkelende ogen toe voor hij in zijn glimmende sportwagen wegrijdt.  Heel bijzonder deze levenswandel in een beroep, waarin de  innige samenwerking met assistentes nog weleens aanleiding geeft tot echtscheidingen en torenhoge alimentaties. We staan de “tandartswoning in een uitbundige Amsterdamse schoolstijl”, zoals destijds in OLV beschreven, te bewonderen als de man de voordeur uitkomt. Hij blijkt niet de tandarts maar een patiënt die het onderhoud van bruine baksteenburcht mede mogelijk maakt. Dat in deze praktijk alles bij hetzelfde is gebleven, alleen de jaren voorbij zijn gegaan en de materiële welvaart fiks is toegenomen, geldt eigenlijk voor de hele route die we vandaag afleggen. Ingrijpende verschuivingen tussen land en stad hebben zich hier de afgelopen 25 jaar nauwelijks voorgedaan, geen bos is er gekapt, incidenteel is er een rijtje huizen of een kantoorgebouw tussen de bestaande bebouwing geperst. We zien vooral sporen van de toegenomen weelde in “dit zoete deel van Holland.

 

SUV’s en damherten

Het blijkt een juiste keuze geweest om ons nog even in bed om te draaien toen de regen tegen het raam kletterde. Snel nadat we het groenblauwe busje verlaten hebben, stopt de regen. Het blijft de hele wandeling verder droog. Het iele torentje van de dorpskerk steekt donkergrijs af tegen de witgrijze hemel. Het is windstil en de zon laat zich de hele dag niet zien. Aan de zwarte boomstammen is geen blad meer te zien. Precies de sfeer die de zwart-wit foto’s van Egbert Kunst bij het artikel van destijds oproepen.

Toch staan er op deze grauwe donderdagochtend al dertig auto’s geparkeerd op de parkeerplaats tegen de duinen. Daarvan een bovenmatig deel in het SUV-segment. Dat fenomeen was in 1987 nog niet in beeld. De carrière van dit voertuig loopt opmerkelijk gelijk op met die van het damhert, een diersoort waar je achter het hek van de Amsterdamse waterleidingduinen over struikelt. Overal kijken de oplettende ogen van de jonge damherten ons aan vanuit het struikgewas, dat zonder blad weinig dekking biedt. Veel boomstammetjes zijn al kaal geknaagd door hun scherpe tanden. In 1987 kwam je soms wel eens een jeep of een damhert tegen, in de tweede helft van de jaren negentig explodeerde de aantallen van beiden. Nu lopen hier zo’n tweeduizend damherten rond. De explosieve groei volgde op de beslissing om ze niet meer af te schieten. De laatste tien jaar leidde de vele botsingen tussen auto en hert en het snacken van de herten op aanpalende bollenvelden en tuinen tot hoogoplopende meningsverschillen over het natuurbeheer. Uiteindelijk heeft de Amsterdamse gemeenteraad de afgelopen herfst ingestemd met het ‘afknallen’ van zeventig procent van, zoals Vrij Nederland ze noemde, “het tuig van de Waterleidingduinen”. De SUV is het damhert in zijn val voor gegaan. De kostwinner rijdt sinds kort in een zuinige bedrijfsauto met aankoopsubsidie en zonder bijtelling. De benzinevreter slijt zijn dagen als boodschappenauto voor het thuisfront.

Het glas van van Lennep

Kuifeenden trekken rustig peddelend strakke lijnen door het gladde grijze water van de diepliggende duinplas. Aan de overzijde ligt heel misplaatst een imposant poldergemaal. Er valt in deze zandige en droge duinen toch niet veel droog te malen, zou je denken. “De pompen hierbinnen voerde het duinwater naar de hoger gelegen zuiveringsgebouw verderop. Dan is het klaar om door de Amsterdammers opgezopen te worden” legt de baliedame uit. Het gemaal blijkt van zijn machines beroofd en omgebouwd tot bezoekerscentrum. Alleen de groenblauwe koppen van de pompen steken nog boven de tegelvloer uit, de motoren zijn verdwenen. Toen in 1853 de waterwinning begon, was het duinwater nog zo schoon dat het rechtstreeks naar de hoofdstad kon worden gepompt. Deze waterwinning was een initiatief van de dichter Jacob van Lennep, die vele jaren woonde op de buitenplaatsen Leyduin en Huis te Manpad, een steenworp hier vandaan. Als Amsterdammer was hij bij uitstek in staat om de kwaliteitsverschil vast te stellen met het Vechtwater, dat toen gebruikt werd voor de hoofdstedelijke drinkwatervoorziening. Wat hij tegen zijn vrouw gezegd zou hebben nadat hij op een warme zomerdag een glas duinwater had genoten, wordt hier breed uit gemeten.

De binnenkant van het gemaal uit 1932, van de hand van de architect Arnoldus Pelser , is met zijn okergeel, paars en groen geglazuurde bakstenen nog fraaier dan de buitenzijde. Er staan twee opgezette damherten en in een soort terrarium hangt de fraai versierde spade waarmee kroonprins Willem II de duinwaterleiding destijds in bedrijf stelde. De schoonheid van het gebouw komt goed tot zijn recht. Zo ontbreken in dit informatiecentrum de gebruikelijke informatiepanelen. Alle denkbare info is gecomprimeerd te vinden in een gigantisch opengeslagen boek. Daarin lezen we dat recreanten eigenlijk pas vanaf 1946 welkom waren. Fietsers worden nog steeds geweerd.

Pitrus en Belvedère

Leyduin, het voormalige landhuis van van Lennep, ligt hoog op een duin aan de rand van het bos en kijkt uit over de weilanden. De naam komt als hofstede al in 1596 voor in geschreven bronnen. In de 18e eeuw gingen diverse telgen van het beroemde geslacht Van Loon de familie Van Lennep voor. “Kijk daar in het weiland steken de donkergroene stengels van pitrus naar boven. Wedden dat de beheerder hier probeert om de natuur te ontwikkelen. Deze plant kan goed uit de voeten op een verdichte zuurstofarme bodem die vrijkomt bij verwijdering van de bovengrond.” Een bevestiging van mijn gelijk is hier niet zo maar te vinden. Thuis maakt Google Earth duidelijk dat hier in 2012 de voedselrijke bovengrond is afgevoerd en sloten zijn dichtgegooid om een natte, voedselarme omstandigheden te scheppen. Nu, één groeiseizoen later, is van het gewroet in de grond al niets meer van te zien, behalve aan de vreemde kronkelige loop van wat sloten.

De beheerder, Landschap Noord-Holland, heeft in de afgelopen jaren meer aangepakt op dit landgoed. Zo is de Ooftkelder, met succes, ingericht voor vleermuizen. Ook de folly op een kunstmatig duin is gerestaureerd. Bij de restauratie bleek dat de nepruïne niet uitsluitend een decoratieve functie had, maar een belvedère met een dak was vanwaar je een prachtig uitzicht had van Noordzee tot Haarlemmermeer. De ruïne heeft nu weer een dak, maar het gebouw is niet meer hoog genoeg om over het hoog opgaande geboomte heen te kijken. Stichting De Nieuwe Akker biedt omwonenden de mogelijkheid om biologisch-dynamische groenten voor eigen gebruik te telen in de voormalige moestuin. Voor ruim 200 euro per jaar en zelfwerkzaamheid koop je hier een oogstaandeel, genoeg voor een gemiddeld gezin in een hele zomer. Voor 2014 is de wachtlijst vanwege de grote belangstelling gesloten. Mensen met een zorgvraag springen bij om het onkruid in bedwang te houden.

Zorgvraag in de buitenlucht

Dagbesteding in de buitenlucht voor mensen met een zorgvraag trof je vijfentwintig jaar geleden uitsluitend aan binnen de hekken van grote zorginstellingen, zoals de nabije psychiatrische instelling Stichting Vogelenzang, dat al jaren geleden ten dele is ontmanteld. Ook in wandelbos Groenendaal zijn de sporen van deze maatschappelijke verandering te zien. Op de kinderboerderij is de verzorging van de dieren in handen van mensen met een geestelijke beperking. Ik ben op zoek naar de geiten, nakomelingen van de roofzuchtige dieren die mij als vijfjarige op deze plek van mijn oud brood beroofde. Met plastic zak en al verdween het in hun magen. Tegenwoordig is het voederen der dieren nadrukkelijk verboden. Verder is er veel bij hetzelfde gebleven. Geiten zijn nog steeds ruimschoots aanwezig, maar minder gefixeerd op bezoekers. Jan Erik, die hier in vijftiger jaren ook met zijn ouders verpoosde, zoekt te vergeefs zijn favoriete marmottenburcht. Het wandelbos is nog steeds populair zoals blijkt uit de afgetrapte picknickplekken in het bos. In het voormalige koetshuis, in onze jeugd een laagdrempelig uitspanning voor de middenklasse, staan nu de witgedekte tafels met gesteven servetten in het gelid. Chique dames doen zich te goed aan de lunch waarvan het grote glas witte wijn het meest volumineuze onderdeel is.

Het molentje van Groenendaal

Ook Groenendaal kent een lange geschiedenis als buitenplaats. Belangrijke namen uit het verleden zijn het Amsterdamse bankiersgeslacht Hope en, wederom, een van Lennep. Jonkheer Mr. David Eliza van Lennep was in 1913 de burgemeester van Heemstede die zich heeft ingezet voor de aankoop van het landgoed door de gemeente. Hierdoor werd het landgoed gered uit de handen van de toen oprukkende bollenboeren en werd het op 17 juli 1913 officieel opengesteld voor het publiek. John Hope, die in het verhaal van Jan Erik figureert als veeleisende eigenaar van landhuis Welgelegen in de Haarlemmerhout, kocht het landgoed in 1784. Hij verrijkte het fraaie landgoed onder meer met een windmolentje, dat nog steeds naast de ingang van het wandelbos staat. Bij de eerste blik schiet dit baken razendsnel uit de mistflarden van mijn getroebleerde geheugen tevoorschijn. Ik herinner het me als een folly; niet functioneel maar gebouwd om het parkbezoek te veraangenamen. Aangezien het molentje veel kleiner is dan de poldermolens die ik kende en bovendien nog eens vreemd bovenop twee gestapelde schuren lijkt te staan, is dat niet zo vreemd. In Jan Eriks verhaal valt te lezen dat dit poldermolentje de vijvers van het landgoed op peil hielden. In 1881 liet Hope hier het eerste stoomgemaal van Nederland bouwen. Dat was de tweede stoommachine in ons land. De ‘vuurmachine’ is allang verdwenen, evenals de belvedère die overigens pas in 1953 verdween.

Enschedé-complex

“Dit was vroeger een achterbuurt, maar nu staan er met zorg opgeknapte grachtenpandjes.” zegt Jan Erik. We lopen in de Haarlemse binnenstad over de Bakenessergracht richting station. Hij wijst op een grijs fabrieksgebouw. “Dat is het enige restant van het Enschedé-complex dat de gemeente niet heeft gesloopt.” In het jaar van zijn wandeling kocht de gemeente deze verlaten bedrijfsgebouwen van de firma die al tweehonderd jaar de Nederlandse bankbiljetten en postzegels drukt. Herontwikkeling heeft heel wat tijd genomen. De volumineuze nieuwbouw met onder meer het Gerechtshof, een hotel en de Toneelschuur, oogt nog als nieuw. Hoe in 1987 de binnenstad van Haarlem erbij lag is helaas niet uit het verhaal van Jan Erik af te leiden.