Klein en oneindig gevarieerd

 
Langs de Maas tussen Namen en Dinant liggen de kloosters Leffe en Maredsous, beroemd door het bier dat hier ooit gebrouwen werd. Maar wie slaat nog klakkeloos bier achterover uit de fabriek van mega-brouwers? We wandelen langs verschillende kleine brouwerijen en lieten onze smaakpapillen prikkelen door een mengsel van water, mout, hop en gist waarmee je oneindig kunt variëren.
 

Mooi wandelen is het langs de Maas in april. Onder ontluikend groen van de loofbossen ligt dan een wit tapijt van bosanemoontjes. Ook het lichte geel van de primula’s mag er zijn. We lopen lekker soepel, aangedreven door een donkerbruine Brogne in de mik. Net genoeg om te proeven en niet te zwalken. Ook dit Waalse bier komt uit een abdij, maar eentje waar al jaren geen monnik meer de vespers zingt. En paar jaar geleden ging drankhandelaar Gabriel Smet op verzoek van de dorpsraad Saint-Gérard aan de slag met een jubileumbier voor hun eeuwfeest. Hij hangt ontspannen aan de houten toog in de betegelde bedrijfsruimte en doet zijn verhaal. Het zonlicht doet het blonde en bruine bier van Brogne glinsteren in de bokalen. Wij houden het bij nippen en doorslikken. Uitspugen zoals bij wijn is niet comme-il-faut, want de keel pikt de minstens zo belangrijke nasmaak op. Het jubileumbier was zo’n succes dat de ketels bleven staan. Nu zijn er twee jonge mensen in de weer met enkele manshoge roestvrij stalen ketels. Lange rode slangen worden aan elkaar gekoppeld om de vaten schoon te spoelen. Op een trap verdwijnt een mannenhoofd in een stoomwolk als een ronde klep boven op de ketel open gaat. Het gist in de ketel is stevig in de weer en zet de suikers in de mout om in alcohol. Terwijl veel jonge brouwerijtjes Amerikaanse hop gebruiken voor lekkere biertjes met heftige smaken, gaan ze in St Gerard voor ‘doe maar normaal dan doe je al gek genoeg’. Voor hen geen Amerikaanse hop: “ Mensen zullen snel genoeg krijgen van al die sterke geuren en smaken. Het klassieke bier komt terug.” Ook andere Belgische brouwers lijken het avontuur te schuwen. Hun wereldfaam remt wellicht de lust tot experimenteren. Het lijkt Marc Wilmots van de Rode Duivels wel. Met de trendy Noord- Amerikaanse hopsoorten, goed voor de stevige bitterheid van de Indian Pale Ales (IPA), zijn alleen de jonge brouwers van Echasse in Namen aan de slag gegaan.

Roestige spoorstaven
Voor het ruige wandelen moet je op de verlaten spoorlijn van Du Bocq zijn die ons van Yvoir naar brouwerij Du Boq in Pernode voert. Deze lijn is nog niet ten prooi gevallen aan de asfalteermachine, die aan de andere kant van de Maas tientallen kilometers spoorbaan in saai fietspad heeft omgetoverd. Rails en bielzen, ze liggen er nog allemaal, prachtig groen bemost. In België poetsen ze gelukkig niet alles weg, laten ze nutteloze zaken, waaronder spoorlijnen, ook wel eens aan hun lot over. Vanaf het station buigen roestige spoorstaven het struweel in. Makkelijk om je weg te vinden langs roestende rails zou je denken, maar dat valt tegen. In de vijfentwintig jaar sinds de laatste goederentrein passeerde, zijn er berken en bramen hoog opgeschoten. Het is kruip door, sluip door over een serie stalen bruggen hoog tussen de huizen van Yvoir. Beneden kolkt een riviertje. Voor ons gaapt een donker gat De een wil perse de tunnel in, de ander loopt liever om. Aan de andere kant van de kilometer lange tunnel zien we elkaar weer terug. “Je kon gelukkig steeds de beide uiteinden van de tunnel zien, dat maakte het minder claustrofobisch” zegt de een. “Buiten loop je langs een enorme groeve waar het spoor onder ligt. Als ze daar met dynamiet schieten kan het dak van de tunnel er aan gaan,” zegt de ander. Samen verder over het ruige pad langs aangevreten wachtershuisjes en overgroeide hectometerpaaltjes, verscholen in kreupelhout. En dan, na kilometers schoonheid in verval, blijken er helaas toch ook Belgische vrijwilligers te bestaan die zo’n romantische spoorlijn opknappen en er een treintje laten rijden. Bij Bauche staat het roodgele voertuig te ronken, afgehuurd door een groep Hollanders op familieweekend. Of we mee mogen naar brouwerij Du Boq. “Geen probleem, stap maar in.”

In het proeflokaal van de brouwerij zit een ingetogen, geheel in het zwart geklede man. Voor hem op tafel een glas lichtrose Gauloise, de schuimkop welt bijna over de rand van zijn bokaal. Hij brengt het naar zijn mond, neemt een teugje en zet het glas weer op tafel. “Lekker biertje?,” vragen we. Welwillend knikt hij van ja. De goudblonde Deugniet die later in onze kelen glijdt bevalt hem beter, maar haalt het natuurlijk niet bij wat er in zijn geboortestreek is te krijgen: “Voor het beste Belgische bier moet ge naar Gooik bij mij om de hoek, naar geuzestekerij De Cam” De ogen van de Brusselaar glinsteren van genot. We zouden zo met hem mee naar huis willen rijden, het water loopt ons uit de mond. Onze Vlaamse tafelgenoot geeft hoog op van de Belgische biercultuur. Over Nederland houdt hij zich beleefd op de vlakte.Het oordeel van onze Brusselaar over Duitsland is wel helder: “Daar is het dubbele nodig om een beetje plezier te hebben.”

De variëteit in smaken binnen het Belgische bierspectrum is enorm. Ga maar na. Er zijn slechts vier componenten: water, gerstemout, hop en gist. De mout kun je meer of minder roosteren en er zijn honderden hopsoorten. Dat is al goed voor heel veel diversiteit aan smaken. “Maar gist is toch gist” checken we bij Jean-Pierre Debras. We denken na vier brouwerijbezoeken het brouwproces te doorgronden. De baas van brouwerij Caracole lacht en pakt twee flesjes Saxo, de klassieker van zijn hand. “In beide is hetzelfde water, mout en hop gebruikt, alleen de gisten verschillen. Proeft!” Tot onze verbazing heeft het eerste bier een lichte chocoladesmaak, het tweede is vertrouwd bitter. “Gist is de handtekening van de brouwer, het is als ontwikkelvloeistof bij de klassieke fotografie,” zegt Jean-Pierre trots. Op de lagere school dronken hij met zijn klasgenoten in de zomer al bier. Dunbier was dat, lekker fris met een alcoholpercentage van maar 1,5 procent. Landarbeiders dronken het om de dorst te lessen bij het hooien.

Gelukkig is Caracole de laatste brouwerij op onze wandeltocht. Hier valt zoveel verschillends te proeven en Jean-Pierre is zo gul, dat de omvang van de galopin, een glas van maar 7 centiliter, niet klein genoeg is om daarna nog lekker fris verder te wandelen.

Biertest

Terug in Holland proeven de redactieleden van ons blad de bieren die we hebben meegenomen van Du Bocq en Caracole. Dat doen ze blind. De Deugniet scoort, met gemiddeld een acht, het hoogst. Maar die was wel de instinker, het bier dat twee maal werd voorgezet zonder dat de proevers het wisten. Bij de eerste kennismaking scoorde hij maar net een zesje. Hoe kan dat? Was het tussendoortje, een hele leverworst, de oorzaak dat het oordeel over de Deugniet uiteindelijk zo positief uitpakte ?

Brasserie Echasse, Namen

De jongste brouwerij die we aandeden ligt aan de Maaskade in Namen. Pas twee jaar pruttelen de ketels weer in het gebouw van de voormalige Brasserie Balon-Perrin. Die sloot zijn deuren nadat de smijgelende boekhouder was betrapt. Deze kieperde zijn baas vervolgens in de Maas. Ze brouwen daar een voor Belgische begrippen extreem bittere goudkleurige Houppe. Het geheim van de mannen achter Echasse: ze gebruiken drie soorten hop waarvan ze er een pas tijdens het gisten toevoegen. ‘Ons bier heeft veel succes bij de meiskes. Het voelt licht maar is toch sterk,’ zegt een van de zes gepassioneerde brouwers.