Waterlinies

Een waterlinie is een verdedigingslinie waarin het onderwater zetten van land een cruciale rol speelt. 

Het onderwater zetten van land was in laaggelegen gebieden al lang een beproefd hulpmiddel bij de verdediging van burchten en steden. Soms was het simpel. de verdedigende partij stak dijken door en het land liep onder. Dit middel was gangbaar in de Tachtigjarige Oorlog tussen de Republiek der Nederlanden en Spanje.  Prins Maurits zetten het in bij het beleg van Den Bosch; in Zeeuws-Vlaanderen lieten beiden partijen pas drooggelegde polder weer onder het zeewater verdwijnen en ook de droogmakerij de Moeren op de grens van Vlaanderen en Frankrijk moest er aan geloven om de stad Duinkerken te verdedigen.

Dat ging alleen als er ten minste genoeg water in de rivieren en kanalen stond. Een reden om het water een handje te helpen. Al heel vroeg gebeurde dit door slotgrachten te graven. In de achtiende eeuw begonnen de bewoners van de Lage Landen het waterpeil te reguleren met sluisen en kanalen. De ontwerpers streefden naar een waterdiepte van ongeveer 40 cm . Het gebied was dan te diep om om zonder problemen door heen te waden en te ondiep is om erdoorheen te varen. 

In België is een stukje waterlinie te vinden bij Antwerpen. In Nederland zijn de volgende waterlinies in gebruik geweest: