Wederdopers aan de Weichsel

Op zoek naar het Hollandse landschap in de uitgestrekte Poolse Weichseldelta vind ik eindelijk, na dagen lopen, op het kerkhof van Stogi Malborski graven met Hollandse namen. In het begin van de zestiende eeuw werden Mennonieten, de eerste hervormingsbeweging in de Nederlanden, verbeten vervolgd. Ze vluchtten onder meer naar de drassige Weichseldelta. Daar  waren deze kundige bedijkers graag geziene gasten en konden onder Pools gezag bijna 250 jaar zichzelf blijven. Ze spraken Nederlands en drukten een Hollandse Bijbel. Duits gezag vaagde deze subcultuur geleidelijk weg. In 1945 werden de laatste door Stalin verdreven. De sporen van Mennonieten en hun landschap liggen langs een prachtige wandelroute over dijken en langs rivieren door een bekend aandoend landschap. Een vierdaagse wandeling van de oudst bekende vestigingsplaats van Hollanders in Polen naar de imposante ridderburcht Malbork in het hart van de Weichseldelta.

Verschenen in Op lemen Voeten 2001-1

 

Meer foto's

De trein brengt me van Gdansk naar het tachtig kilometer oostelijk gelegen Paslek. Dit stadje staat bekend als Pruissisch-Hollandt. Haar Hollandse historie gaat terug tot een tekst in haar oudste privilege van 1297:"... quam secundum primos locatores, qui de Hollandia venerant, Holland appelavium". Zichtbare sporen ontbreken. Deze Hollanders maakten deel uit van de grote groep Hollanders en Vlamingen die in de 12de en 13de eeuw naar het Oosten trokken. Deze trek vanuit Nederland en Duitsland naar het Oosten was qua massaliteit vergelijkbaar met de kolonisatie van Noord-Amerika eeuwen later. De kolonisten werden actief geworven door de plaatselijke katholieke machthebbers, om hun door oorlogen en pestepidemieën verwoest en ontvolkte grondgebied te (her)ontginnen en kerstenen. In deze streek waren dat de kruisridders van de Duitse Orde. Deze kruisridders kwam eind 13de eeuw de Poolse vorst te hulp in zijn strijd tegen de heidenen. Maar dat liep anders af; zij namen het noordelijk deel van Polen over. In Malbork het einddoel van mijn wandeling staat een enorme burcht, die meer dan een eeuw de hoofdstad van het gebied van de Duitse Orde was. Paslek ligt op een hoogte die uitkijkt over de Weichseldelta, het eigenlijke doel van mijn wandeling. Dit laaggelegen gebied werd veel later, in de 16de eeuw,  (opnieuw) ontgonnen door voornamelijk Mennonieten uit Nederland. Hiervan is veel meer van bekend. Ik loop vanuit het hooggelegen stadje de laaggelegen vlakte in.

Mennonieten

De gehele vijftiende eeuw was een zeer onrustige tijd waarin Polen stukje bij beetje hun grondgebied op de Duitse Orde heroverde. In 1466 wordt de Weichseldelta voor ruim 300 jaar Pools en het heuvelland rond Paslek en Elblag Pruisisch. Zowel de Duitse vorst van Oost Pruissen als de Poolse koning wierven actief Hollanders om het ontvolkte en verwoeste land weer belasting te laten opleveren. Dit waren vooral Mennonieten, gematigde Wederdopers uit Holland en Oost Friesland. Wederdopers wezen de kinderdoop en de dienstplicht af. In 1535 probeerde deze rebelse beweging vergeefs het rijk Sion gewapender hand te  vestigen, onder meer in Munster en Amsterdam. In 1534 werd het Amsterdamse stadhuis een dag door Wederdopers bezet en op bloedige wijze ontzet. Zij vluchtten naar de Weichseldelta met de boten die graan en hout vanuit Gdansk, Elblag en Kaliningrad naar Amsterdam vervoerden.
De oudst bekende vestigingen van Mennonieten liggen in de Dantziger Werder bij Gdansk (1522) en in dorpen in het heuvelland rond Paslek (Salkowice, 1527). In 1527 sluit Albert van Brandenburg een pachtcontract met Hendrik Claasz van Alkmaar en Thomas Lorenz van St.Maarten voor land in het dorp Salkowice bij Paslek. Deze kolonisten trokken enkele jaren later naar de Poolse Weichseldelta, waar de godsdienstvrijheid en de bodemvruchtbaarheid groter waren. In andere delen van de delta stammen de eerste pachtcontracten met Hollandse Mennonieten uit de periode 1550 tot 1600. Zo krijgen in 1562 Simon en Steffen Loysen een pachtcontract in Tiegenhof (het huidige Nowy Dwor).

Jez Drusno

Ik loop Paslek uit en kom in polders aan de voet van het heuvelland. De riviertjes uit de hoger gelegen gronden zorgden hier duidelijk voor wateroverlast. Langs alle beken liggen dijken. Zo kan ik over de grasdijk van het riviertje de Waska van Paslek naar het grote meer Jez Drusno te lopen. Dit meer was vroeger een onderdeel van het grote haf (binnenzee) Zalew Wislany. Door verdere opslibbing van de Weichseldelta en drooglegging is een  meer ontstaan.  Rond 1600 was dit meer drie keer zo groot. Het droogmaken van dit meer is in belangrijk mate door Hollandse Mennonieten uitgevoerd. De tocht over de Waskadijk biedt prachtige vergezichten over de sappige hooilanden met bonte kleuren. De gehuchten en boerderijen in het weelderige groen zijn zeer landelijk. Je komt er meer melkbussen dan auto's tegen. Het is heel rustig, geen hond blaft. En elk gehucht heeft nog een klein winkeltje. Je kunt je moeilijk voorstellen dat het gehucht Wesna het overblijfsel is van de Hollandse ontginning Weeskenhof uit 1557. Het meer zie je in de verte liggen, niet als water maar als moerasbos dat langs de oevers van het meer ligt. Het is een belangrijk rustgebied voor watervogels. Zelfs de zeearend is een vaste bezoeker. Ik steek door de weilanden en bereik het Kanal Elblaski .Het kanaal is in de 19de eeuw aangelegd door Jan Steenke, een Nederlandse ingenieur. Het verbindt Elblag met het Mazurische merengebied en verder Litouwen en Belarus.

Droogmakerij

Mijn tocht gaat verder langs de oevers van het meer tot het gehucht Stabkowo. Het gehucht ligt op een hoger gelegen strook boezemland waar het riviertje de Brzeznica door stroomt. Het is eeuwenlang de grens tussen Pruissen en Polen geweest. We gaan naar beneden en komen in delen van het drooggelegde meer Drusno. De droogmakerij Nowy Dolno met een rechthoekig ontginningspatroon doet aan de Schermer en Beemster denken. Markusy was een van de meest Hollandse dorpen in dit deel van de delta. De Mennonieten leven in gesloten gemeenschappen altijd op zoek naar plekken waar zij zoveel mogelijk vrijheid van het wereldlijk gezag konden genieten. In de Weichseldelta dwongen ze hun vrijheid onder Poolse koning als het ware af met hun ijver en hun kennis van molen- en dijkenbouw. De hoge opbrengsten van hun land stond garant voor een ruime belastingopbrengst. De geschiedenis blijkt een aaneenschakeling van discussies over de rechten en plichten van de Mennonieten, zoals recht op eigen kerken en scholen,  en vrijstelling van inkwartierplicht en  werkzaamheden aan de hoofddijken. Lokale autoriteiten proberen steeds weer van deze privileges af te komen. En elke Poolse vorst lijkt het recht te hebben bevestigd. En zo blijft de beslotenheid dankzij de privileges lang in stand. Wat mij blijft verbazen is dat van deze cultuur zo weinig sporen zijn overgebleven. Waar zijn alle molens gebleven die hier hebben gestaan? Ik heb mijn hoop gericht op het kerkhof van Jezioro, het laagste punt van Polen. Het ligt een halve meter beneden zeeniveau. Dit kerkhof ligt naast de oude Mennonietenkerk die sinds de Tweede Wereldoorlog als schuur wordt gebruikt. Er zijn nog wel oude zerken; hoge zandstenen met krullen aan de zijkant. Het kerkhof is overgroeid en de namen die ik kan ontwaren klinken niet erg Nederlands. Na een paar uur bereik ik de stad Elblag, een oude Hanze stad.

Assimileren of vluchten

Ik loop over het boezemland van de polder Ellerwald naar Wikorow. Je waant je in Nederland. De polder  is vanaf 1565 door Nederlanders drooggelegd en ontgonnen. In Wikorowo staat een van de weinige overgebleven windmolens. Het is een
bovenkruier, die afwijkt van de gangbare Duitse molens. Hij is erg vervallen. Een rechte weg voert dwars door de polder met een verkaveling die ik uit Nederland niet ken. De wegen zijn kaarsrechts, evenals de sloten, maar sloten en wegen staan niet haaks op elkaar. Samen vormen ze een veervormig patroon. Ik vraag me af of de verkaveling nog uit de tijd van de ontginning stamt. Of zou de Stalinistische landbouwcollectivisatie de zaak op zijn kop hebben gegooid. Een voormalige Pools staatslandbouwbedrijf brengt me op die gedachte. De langgerekte roodstenen schuren huisvestte niet zo lang geleden vele varkens. Deze bedrijven voeren de veel zeggende namen Bielnik I, II en III.
De sporen van Mennonieten en hun ontginningswerk zijn vanaf 1772 geleidelijk verdwenen in de Weichseldelta. In dat jaar werd het koninkrijk Polen verdeeld onder Rusland en Pruisen. Dit deel werd Duits. Er was al sprake van een zekere integratie van Mennonieten. Er waren al  Mennonitische liedboeken in het Duits verschenen. De Pruisische soldatenkoning moest niets hebben van dienstweigeraars. Aanvankelijk kon de dienstplicht worden afgekocht, maar later  ontnam hij de Mennonieten het recht op eigen scholen en kerken als ze zich niet aanpasten. Dit leidde tot heftige disputen binnen de Mennonitische gemeenschap. Uit een volkstelling is bekend dat er in 1776 ruim 12 000 Mennonieten van verschillende herkomst in de Weichseldelta woonden. In de dertig jaar daarna is een  groot deel hiervan weggetrokken naar Zuid-Rusland en Siberië, waar ze hartelijk werden ontvangen door tsarina Catherina de Grote. Jaarlijks vertrokken er zo'n tweeduizend Mennonieten in colonnes. Er zijn ook heel wat  gebleven die steeds verder verduitsten. Honderdvijftig jaar later zou deze "inburgerzin" hen opbreken. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog werden alle Duitsers verdreven, dus zij ook. Tienduizend Mennonieten verbleven in vluchtelingenkampen in Duitsland. Een groot deel vestigde zich in Amerika. Daar spreken deze gesloten  gemeenschappen nog steeds het plat-Duits dat ze tijdens de Pruisische overheersing hebben aangeleerd. Hun plaats werd ingenomen door lotgenoten die woonden in dat deel van Polen dat door landjepik tot de Oekraïne, Wit-Rusland en Litouwen werd omgedoopt.

Overlaat en kampen

Het land langs de Nogat, de oostelijke Weichseltak, is veel leger dan de streek langs Jez Drusno. Lange bebouwingslinten, zoals we uit Nederland kennen, ontbreken. Ik neem de pont naar Kepki. Ten noorden van dit gehucht liggen de kampen, de jongste polders in de Nogatdelta. Dit land werd veel later omdijkt in de vorm van vele kleine poldertjes omsloten door rivierarmen. De oudst bekende Nederlandse nederzetting wordt pas in 1650 in oude stukken genoemd. Dit landschap lijkt veel op de Nederlandse naamgenoot, het  Kampereiland, dat in de delta van de Gelderse IJssel. Zou die benaming een gemeenschappelijke achtergrond hebben?
Vanaf Kepna loop ik door een oude overlaat, waar helemaal niet veel bebouwing voorkomt. Sommige huizen liggen nog op een terp. De oude Nogatdijk ligt hier 1-2 km ten westen van de rivier. Die zal ik later volgen. Bij hoogwater kon de rivier op enkele lagere plekken in de dijk de overlaatpolder in stromen. Vanaf Stobna tot de oude dijk loop ik langs een kronkelende oude rivierloop. In Rozewo moet volgens mijn informatie ook een oud kerkhof moet liggen. Via een grasdijkje bereik ik het gehucht dat in de bocht van een oude kreek ligt. Het kerkhof is snel gevonden, maar ook hier ontbreken Nederlandse namen. Desondanks is de omweg de moeite waard. Bij Solnica kom ik op een oude trambaan terecht die ik later nog een keer zal volgen. Tot vijftien jaar geleden was er in dit deel een dichtnet van tramwegen in dit deel van de Weichseldelta. Die zijn nu vervangen door een uitstekend busnet. Even later kom ik op de oude Nogatdijk. Die is hier zwaar getekend door de zeer vele doorbraakgaten. Uit oude verslagen blijkt dat in de zestiende eeuw de dijken soms meerdere malen per jaar doorbraken. Het bestaan moet bijna net zo moeilijk zijn geweest als in de door overstromingen geteisterde Gangesdelta in Bangla Desh nu. De dijkaanleg langs de hoofdrivieren is reeds onder de Duitse Orde ter hand genomen. Veel later dan in Nederland of de omgeving van Bremen waar de dijkaanleg in de tiende eeuw begon. De Mennonieten hebben zich meer beziggehouden met de beteugeling van Jez Drusno en de kleinere rivieren zoals de Tuja en Linawa. Tussen Rakowo en Lubstowo zijn de doorbraakkolken veel groter dan ik tot nu toe heb gezien. Hier is klei afgegraven. Mijn verdere tocht tot Malbork voert langs dorpen die vrijwel allemaal een Mennonitische achtergrond hebben. Een kleiig pad voert me door uitgestrekte graanvelden waar ooit Halbstadt heeft gelegen. Er is niets meer van terug te vinden. Toen de Mennonieten na de  Poolse deling wegtrokken,  verdwenen sommige dorpen. Ook de Nogat is een schim van de woeste rivier die het ooit is geweest. De uiterwaarden zijn verbazend smal. En de uitgebreide lelievelden laten zien dat het water nauwelijks meer stroomt. Eind vorige eeuw is een nieuwe Weichselmond gegraven bij Swibno. Vanaf  die tijd voert de Nogat veel minder water en is zijn tanden kwijt.

Eindelijk graven

In Stogi Malborski ligt mijn laatste hoop op Nederlandse graven. Vanuit de verte zie ik een wit kerkje liggen dat er nieuw uitziet. Dat belooft weinig goeds. Het blijkt een katholieke kerk te zijn. Maar … aan de zijmuur hangt een gedenksteen die de geschiedenis van de Mennonieten samenvat in een bijbeltekst uit Hebreeuwen 13-16: "Wir haben hier kein bleibende Stadt, sondern wir suchen die zukunftige. Die Wohltatigkeit und die Pflege der Gemeinschaft vergesset nicht! Denn an solchen Opfern hat Gott ein Wohlgefallen". De gedenksteen is geschonken door erfgenamen van voormalige Poolse Mennonieten en hun geloofsgenoten in Duitsland, Nederland en Noord-Amerika, de Prussian Mennonite Friendship Association.. En daar achter ligt het kerkhof. Het is vorig maand omheind en schoongemaakt door Polen en Nederlanders uit Aalsmeer en Haarlem. De oude stenen liggen onder imposante iepen en eiken.  En daar liggen ze dan: de van Dijcks, de Harders en de Claassens. Als ik wegloop stopt een Duitse auto met verre nabestaanden. Nog opgewonden bereik ik een uur later Malbork. De machtige burcht van de Duitse Orde ligt met zijn drie wallen aan de andere kant van de rivier. Dit brengt me terug aan het begin van de Nederlandse sporen in het Weichselland: de Hollanders van Pruissisch-Hollandt die door de Ridders van de Duitse Orde uit de Nederlanden werden gehaald.