Klein Holland in Polen

Gdansk ademt met zijn renaissancehuizen de sfeer van Hollandse steden. Ook de nabijgelegen Wisładelta is Hollands. Ooit legden Nederlandse Mennonieten dit gebied droog. Op zoek naar sporen van die Polderwerkers.

Verschenen in Op Lemen Voeten 2008-3

‘Als ik van die steile dijk naar beneden rij, krijg ik meteen een poldergevoel. Dan kom ik thuis in Polen,’ zegt Groningse Elko enthousiast. ’s Avonds op de terp van zijn Poolse schoonouders geniet hij van meeslepende zonsondergangen. ‘Die heb je in Groningen ook, maar hier zijn ze mooier met al die bomen aan de horizon. Dit is de polder van mijn jeugd, van voor de ruilverkaveling. Maar lang zal het zo niet blijven,’ zegt hij gelaten. ‘Kijk hier,’ wijst hij op de kaart, ‘Daar heeft een Hollandse boer zo’n 600 hectaren land gekocht. Het eerste dat hij deed, was de bomen rooien en de sloten rechttrekken. Nu Polen lid is van de EU zullen de kleine boeren het loodje leggen en dan gaan de bomen en de vogels er ook aan,’ voorspelt Elko. Ik vertel over mijn wandelplannen door zijn polder, de Wisładelta bij Gdańsk. Ooit werd dit gebied door Hollandse Mennonieten drooggelegd. Elko weet nog wel een paar plaatsen waar je sporen van die polderwerkers kunt vinden. Met zijn dikke vingers glijdt hij over de kaart en wijst op plekken in het niets. ‘Daar liggen ze begraven,’ glimlacht hij.

Godsdienstvrijheid
Eerst had je Wederdopers en toen Mennonieten. De Wederdopers vormden een rebelse beweging met opmerkelijk beginselen. Ze deelden hun bezittingen, weigerden de eed af te leggen en wezen de kinderdoop af. Mensen mochten pas gedoopt worden als ze goed en kwaad van elkaar konden onderscheiden. De wederdopers werden door het Spaanse gezag vooral vervolgd omdat ze, met getrokken zwaard, Godsrijk op aarde wilden stichten. Later, onder leiding van Menno Simons, zwoeren ze het geweld af en weigerden ze wapens te dragen. Vanaf die tijd noemden Wederdopers zich Mennonieten. Maar daarmee kwam aan hun vervolging geen einde. Halverwege de zestiende eeuw vluchtten veel Nederlandse Mennonieten naar Gdańsk, de stad waar Hollanders al jaren handel dreven. De Poolse vorst verleende hen vrijheid van godsdienst en nog een paar andere privileges. In ruil daarvoor moesten ze wel de Wisładelta omtoveren in cultuurland. De Mennonieten trokken het zompige land in, groeven sloten en bouwden dijken. Al snel haalden ze recordoogsten binnen, alles tot grote tevredenheid van de koning. Heel lang bleven ze preken en zingen uit Nederlandse bijbels en gezangboeken. Eind achttiende eeuw werd Duits de kerktaal. De Delta was inmiddels in Pruisische handen gekomen en uiteindelijk voelden de Mennonieten zich ook Duitsers. Net als alle andere Duitsers in de delta werden ze aan het eind van de Tweede Wereldoorlog door de Russen verdreven naar het westen.

Juf

Elko raadt me aan om naar het museum van Nowy Dwór Gdański te gaan. Daar in het hart van de delta weten ze volgens hem alles over de Mennonieten. Dat doe ik. Bij de ingang van het museum hangen vrolijke kindertekeningen: rode puntdaken met schoorstenen erbovenuit, rijen groene wilgen langs blauwe sloten, zwart gestippelde koeien op sappige weiden. En dan heb je nog de ooievaars, heel veel ooievaars. Ze horen er echt bij. Op elk huis kleppert er minstens één. ‘Nee, dit is niet het museum,’ zegt een verbaasde juf. Ze wijst naar een oud gebouw. 

De gids van het streekmuseumpje is een aardig meisje met stralende ogen, maar Engels of Duits spreekt ze niet. ‘Menonicki,’ probeer ik. ‘ Menno Simons,’ zegt ze opgelucht terwijl ze naar een pentekening wijst. De prediker uit het Friese Witmarsum kijkt me vanaf de muur streng aan. Meer over Mennonieten lijkt er niet te zijn. Ze begint aan een rondleiding langs wasborden, strijkmachines en oude radio’s. Bij het zien van een paar ‘Friese doorlopers’, doe ik mijn armen op de rug en klap een been uit. ‘Kan jij ook schaatsen,’ gebaar ik. ‘Nee,’ schudt ze verlegen. In de hoek staan een paar foto’s met Hollandse tulpenvelden. ‘Hoe komen die hier,’ denk ik en kijk de gids vragend aan. Ze haalt  haar schouders op en spreidt haar armen in een gebaar van: ‘dat weet ik niet.’  Dan wenkt ze me haar te volgen.  Even later staan we in een schuur met een schat aan mennonietenzerken. Het zijn smalle stenen platen van soms wel 2,5 meter hoog. Op de ene kant van de plaat zijn teksten uit het Heilige Geschrift gebeiteld, op de andere persoonsgegevens.

Oormerken

Op mijn detailkaart van de delta staan, met hoge zwarte zerken, de begraafplaatsen van de Mennonieten aangegeven. Ik tel er zo’n vijfentwintig. De eerste die ik wil bezoeken ligt in de buurt van Rozewa, op ruim een uur lopen van Nowy Dwór Gdański. De wilgen langs de landweg reiken tot in de hemel. De sloten staan vol riet en struiken. Een plicht tot opschonen hebben de boeren niet, lijkt het. Hun boerderijen staan op kussentjes, net hoog genoeg om droge voeten te houden. In een geur van hooi en mest scharrelen kippen en eenden rond op het erf. Friese koeien lopen een eindje in mijn richting. Schudden hun koppen en kijken me verbaasd aan. ‘Helemaal op zijn Hollands,’ denk ik, maar toch klopt er iets niet. Het duurt even, maar dan zie ik het: boven gele oormerken steken puntige horentjes uit hun koppen. Die mogen hier nog groeien. Het land kleurt niet alleen naar het groen van sappige weiden, maar ook naar het geel van uitgestrekte korenvelden. Torenvalken hangen er vol engelengeduld boven. Mannen met ontblote bovenlijven steken grote balen omhoog naar hun maatjes op de hooiwagens. Elders kruipen combines als grote insecten door de velden. Gek land dit stukje Polen met zijn mix van kleine boerderijen en enorme, inmiddels geprivatiseerde, staatsbedrijven.

Rusland

Even voorbij zo’n voormalige volksboerderij staan statige eiken eenzaam in het korenveld. Onder de bomen steken zerken voorzichtig boven hoog opgeschoten brandnetels uit. In lange broek en met de blote armen omhoog schuifel ik door de netels naar de grafstenen. De namen op de zerken zijn maar moeilijk te lezen. Hollandse namen herken ik niet. Een tekst op zwart graniet is nog wel goed te volgen, maar het hele verhaal lezen, kan niet. In de loop van de tijd zijn wat zinnen onder het maaiveld gezakt. Dat irriteert. Ik ga graven. Het blijkt een ode van de Kirchengemeinde in Rosenort aan de Mennonieten die in 1794 van hier naar Rusland trokken. Toen eind achttiende eeuw het koninkrijk Pruisen de delta in handen kreeg, was het gedaan met de uitzonderingspositie van de Mennonieten. Ze konden door het Pruisische gezag weer onder de wapenen geroepen worden. Een grote groep hield het voor gezien en trok naar de Dnjepr in Rusland. Daar schonk keizerin Katharina II hen, onder waarborg van godsdienstvrijheid, woest land om in cultuur te brengen.

 Bij Orłowa, even ten zuiden van Nowy Dwór Gdański, moet ook een begraafplaats liggen. ‘Cmentarz menonicki,’ vraag ik aan vier blonde jongentjes. ‘Daar,’ wijzen ze alle vier vastberaden. Het is weer zo’n eenzaam plukje groen. ‘My name Jerzy,’ zegt de oudste en stelt de anderen voor als David, Markus en Janusz. Ze loodsen me via een smal paadje naar het hart van de begraafplaats. Daar onder de hoge bomen ligt hun jongensland:  een zwart geblakerde vuurplaats met daar omheen, twee keurige cirkels van steen. De één om het vuur in bedwang te houden, de ander om op te zitten. De tengere Janusz, de jongste van het stel, rent naar een kleine zerk. Daaronder ligt een van Dijck, maar de letters zijn zo vaag dat ik er geen eed op zou willen afleggen.

Laagste punt

Vlakbij het laagste punt van Polen (-1.80 meter) stappen ooievaars parmantig over de kluiten van pas geploegd land. Met lome vleugelslagen vliegt er één terug naar zijn nest boven op het dak van een oude vakwerkboerderij. Het is zo’n prachtige hoeve waarvan het woonhuis deels rust op houten kolommen, versierd met fraai houtsnijwerk. Deze staat er mooi bij, maar veel andere juweeltjes van boerderijen worden alleen nog door wat roestige spijkers op de been gehouden. Niet ver van stoomgemaal en ophaalbrug staan onder een paar stevige eiken een hele verzameling zerken. De opschriften bezorgen me een kortstondige trilling, duidelijk is te lezen dat hier de Klaassens en de Dirksens begraven liggen. Een energieke lerares uit Markusy heeft met haar schoolkinderen de begraafplaats schoon gemaakt. Twee foto’s laat ze me zien. De ene is gevuld met ondoordringbaar kreupelhout. Op de andere, van na de schoonmaak, staan kinderen in fleurige kleren tussen hoge statige zerken. De lerares legt een papier op tafel waarop alle graven nauwkeurig in kaart zijn gebracht door leden van de Doopsgezinde Gemeente uit Aalsmeer. Nog zo’n opgeknapte begraafplaats vind ik later in Stogi, dichtbij de imposante ridderburcht van Malborg.

Nostalgie

‘Ruim een derde van de dingen uit mijn boek bestaan niet meer,’ verzucht fotograaf Marek Opitz. We bladeren door zijn fotoboek over de delta. De Hollandse molen ging twee jaar geleden in vlammen op. Veel van de oude boerderijen zijn in elkaar gestort. ‘Deze zeker ook,’ zeg ik, terwijl ik een foto aanwijs met een boerderij vol gaten in de houten wanden. ‘Zou kunnen, maar de bewoners hadden goede hoop, want er nestelden ooievaars op hun dak.’ Trots toont Marek zijn foto’s die hij in Holland maakte voor de tentoonstelling Inspiracje Niderlandami. Zijn Hollandse kanalen, sloten, molens, dorpen en boerderijen waren een tijdje geleden te zien in het streekmuseum. Als ik vraag of die foto met Hollandse tulpen in het museum ook van hem is,  knikt Marek lachend van ja. ‘Groeien hier ook tulpen,’ wil ik weten. ‘In het noorden, achter de duinen,’ wijst hij op de kaart.