Nederlandse zeekleilandschappen

Het oudste cultuurlandschap van het lage deel van Nederland zijn de oude zeekleipolders. Het gaat om kwelders die zo hoog opgeslibd zijn dat permanente bewoning mogelijk werd. In Nederland was dit gebied in de Romeinse tijd reeds bewoond door de Friezen. Van hun kommervolle bestaan deed Plinius reeds verslag. In perioden dat de zeespiegel steeg bedreigde overstromingen het bestaan. Om toch te overleven werden terpen opgeworpen. Deze woonheuvels zijn met de kronkelige kreekrestanten de oudste landschapselementen. Vanaf 1000 werden gesloten dijken opgeworpen en is ook de onregelmatige blokvormige percelering ontstaan. Andere kenmerkende elementen zijn de kruinige percelen in Noord-Nederland en de drinkpoelen en vliedbergen in Zeeland. In de Middeleeuwen werden grote delen van het oude zeekleilandschap weggeslagen door de zee. Later werd nieuw land gewonnen door kwelders of zelfs hooggelegen delen van het wad die opnieuw opslibde te bedijken. Het grote verschil van deze nieuwe zeekleipolders met het oude land zijn de rechthoekige verkaveling.

De wandeling door Middag-Humsterland voert door het oude zeeklei landschap van Groningen. Verkaveling en restanten van kreken en terpen zijn hier goed terug te vinden. De eveneens in Groningen gelegen Dollardpolders vertellen het verhaal van de herbedijking van land dat rond 1300 door de zee werd overstroomd. Het verloren land werd stukje bij beetje ingedijkt, steeds afgesloten met een dijk. Niet alle dijken zijn meer even makkelijk terug te vinden, maar sporen zijn er nog wel. De zeekleipolders van Zeeland zijn veelal niet meer te onderscheiden in jong en oud. De februariramp van 1953 overstroomde het land en zette de ruilverkavelingsmachine in werking die de verschillen tussen oud en jong heeft uitgevaagd.